Tijdingen
 
Februari 2023 
 

 

Een Hi-Tech heilstaat?

Nu er wederom Provinciale Statenverkiezingen in aantocht zijn en daarmee de krachtsverhoudingen in de Senaat opnieuw worden vastgesteld is het goed om de huidige politieke constellatie en de daarbij behorende mores nog eens nader te bezien, opdat er noodzakelijke bakens kunnen worden verzet en er zo nodig ook constitutionele veranderingen kunnen worden doorgevoerd die de (effecten van) politieke besluitvorming ten goede kunnen komen.

Vooraleerst is het echter van belang te bedenken dat terwijl regressieve ideologieën van neoliberalisme en neocorporatisme onder handhaving van een geopolitieke Koude Oorlogsdichotomie nog steeds op hoge toon worden bepleit en in beleid omgezet, samenlevingen in snel tempo transformeren naar tamelijk gesloten entiteiten waarbij regeringen en parlementen zich onder handhaving van financieel-economische en oligarchische structuren continu laten verleiden om grondbeginselen van democratische rechtsprincipes ten gunste van kapitalistische staatsbelangen te veronachtzamen, dan wel op te geven. Voor de burger heeft dit alles ernstige consequenties voor zijn bestaansmogelijkheden, aangezien hij geconfronteerd wordt met een toenemend patroniserend moralisme dat zijn moeizaam verworven rechten en vrijheden drastisch dreigt in te perken. Toch lijkt het vooruitgangsgeloof geen grenzen te kennen.

Hoe is dit te verklaren, wat zijn de alternatieven, en vooral, waaraan mankeert het in de huidige politieke besluitvormingscultuur? Duidelijk zal moeten worden dat een eenzijdige focus op technologische vooruitgang het lange project van de moderniteit en haar verworvenheden waarop vrije samenlevingen zijn gebaseerd ernstig belemmert.

Sinds de opkomst van een wijdverbreid Silicon Valley-gerelateerd optimisme en de totstandkoming van de digitale revolutie eind vorige eeuw heeft niet alleen het technologisch vooruitgangsgeloof een grote vlucht genomen, maar zijn ook samenlevingen ingrijpend veranderd. Wat eerst nog schier onbereikbaar leek is nu binnen handbereik gekomen, zoals razendsnelle wereldwijde communicatiemogelijkheden en kolossale dataverwerking. Terwijl de euforie hierover nauwelijks grenzen kent, neemt het vooruitgangsgeloof echter een nogal merkwaardige wending. Zo kenmerkt het huidige spreken over 'strategische autonomie' zich door een terugtrekkende beweging naar het aloude protectionisme die alle ontwikkelingen op het gebied van wereldwijde interdependentie botweg naast zich neerlegt. Dit getuigt niet van realiteitszin, maar van verdwazing. Een blinde focus op eigenstandige ICT en biotechnologie zal derhalve – nog afgezien van halfbakken economische premissen die hieraan meestentijds ten grondslag liggen – een doodlopende weg blijken en slechts leiden tot een 'labora-toriumsamenleving' waaruit naast kleurenrijkdom veel onmisbare overige vakkennis volledig zal zijn verdwenen. Een afgevlakte technocultuur die het leven tot in alle details beheerst dreigt dan te resteren. Zulk een 'heilstaat' is dan niet veel meer dan een afschrikwekkende dystopie.

Is dit tij te keren? Dat is zeer de vraag. Bij alle terechte kanttekeningen die men met betrekking tot zulk een gemankeerd vooruitgangsgeloof kan maken, lijken de ingenomen posities onwrikbaar. Daarnaast leiden technologische alsook economische ontwikkelingen voor een groot deel een eigen leven. Zeker zolang (internationale) politieke besluitvorming hopeloos achter zulke ontwikkelingen aan blijft lopen en nalaat hieraan richting te geven. Het vooruitgangsgeloof is dan ook in alle opzichten een dogmatisch geloof geworden dat alle 'ketterij' op straffe van 'inquisitie' te vuur en te zwaard bestrijdt. Wie niet 'meedoet' ligt eruit en plaatst zichzelf buiten de orde. Nu zelfs vroegere critici zich massaal tot dit geloof hebben bekeerd lijkt niets het heil meer in de weg te staan. Te meer daar partijen als de PvdA en GroenLinks zich al een tijdlang hebben overgegeven aan navelstaarderij en braaf achter de klimaatagenda's van Timmermans/Samsom c.s. aanhobbelen. Van links tot rechts is men ervan overtuigd dat technologie – en vooral die van eigen makelij – de samenleving in de vaart der volkeren zal opstuwen en vele problemen en vraagstukken zal (kunnen) oplossen. Of het nu gaat om energiewinning, klimaatbeheersing en milieuproblematiek, om welvaartsontwikkeling, of conflictbeheersing — de verwachtingen tuimelen over elkaar heen en het optimisme is niet te stuiten. Science fiction is voor velen geen fictie meer, maar 'harde werkelijkheid'. Dromen komen uit en ziedaar — problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon. In het onderwijs wordt dan ook niet nagelaten zulke fenomenen met grote nadruk in te prenten en dat begint al tijdens de kinderjaren. De vergezichten kunnen niet op. Daarbij verbleken alle 'muizenissen' over het heden. Politiek is in zulke ogen dan ook grotendeels 'overbodig' (als het al niet als een volledig 'achterhaald' begrip wordt beschouwd).

De armoe van zulke gerichtheden zal velen worst wezen, zolang men hieraan stevige maatschappelijke posities weet te ontlenen die een comfortabel bestaan in het vooruitzicht stellen. Dat laten betrokkenen zich niet ontzeggen of ontnemen. Vandaar dat 'debatten' hierover worden gepresenteerd alsof het om 'onweerlegbare waarheden' gaat die boven elke twijfel verheven zouden zijn. Dit laatste wordt met name versterkt doordat in talloze adviesrapporten eenzelfde toon wordt aangeslagen waarop men zich dan ook maar wat graag beroept. Kortom de technocraten hebben het 'gelijk' aan hun kant en dit gelijk behoeft verder geen betoog. Ofwel 'stilstand = achteruitgang' zoals wordt gezegd. (Ware het niet dat critici niet zozeer 'stilstand' bepleiten, als wel de voorgestane 'vooruitgang' als een verkapte sur place dan wel als regressie pogen te ontmaskeren).

Techniek en technologie zijn zeker niet altijd of in alle opzichten een 'feest', zoals dat ook geldt voor hun toepassingen, ook al ontlenen mensen daar velerlei comfort en gemak aan. Het gaat er uiteindelijk om op welke wijze en in wier handen deze verworvenheden worden aangewend, en voor welke doeleinden zij worden gebruikt. In een volledig geëxploiteerde samenleving behoeft men zich evenwel weinig illusies te koesteren over 'nut en noodzaak' die vaak eenzijdiger blijken dan voorgewend en overwegend selectieve belangen dienen. Of het nu gaat om medische technologie, onderwijstechnologie, milieutechnologie of 'organisatietechnologie', het blijven vaak 'speeltjes' in handen van tamelijk monomaan gerichte personen die zich als technocraten heer en meester wanen bij de beschikking over al het fraais dat hen ten dienste staat. Dat laat onverlet dat er wel degelijk sprake is van aanwijsbare vooruitgang, maar om het voor te stellen alsof deze ontwikkeling een panacee zou bieden voor alle problemen is ver bezijden de waarheid. Dat geloof heeft evenwel diepe wortels waardoor het ter discussie stellen ervan nagenoeg gelijkstaat aan kamikaze, of althans op zijn minst een waagstuk is dat zeker niet allerwegen in dank wordt afgenomen. Toch blijft dit noodzakelijk, wil men althans voorkomen dat genoemde zaken en ontwikkelingen met ons allen aan de haal gaan en er helemaal niets meer te 'regelen' valt. Dat is geen 'cultuurpessimisme', maar ligt in het verlengde van vroegere oproepen tot scepsis en tempering van overspannen verwachtingen. Niet dat alle critici van weleer op dit vlak het gelijk aan hun kant hadden – zeker niet –, maar wel dat wat meer distantie op zijn plaats zou zijn in plaats van tamelijk verdwaasd achter onzinnige droombeelden aan te lopen.

Vooral wanneer men hierbij bedenkt dat veel 'ICT' rammelt (zoals bij overheidssystemen) en bovendien uiterst kwetsbaar blijkt, dan is 'enige scepsis' zeker geen overbodige luxe dunkt ons. Desondanks zijn hele samenlevingen volledig van datacommunicatiesystemen afhankelijk geworden, zodat men niet meer om deze uiterst kwetsbare realiteit heen kan. Vroeger of later zal men moeten erkennen dat het leven een technocratische wending heeft genomen die lang niet iedereen ten voordeel strekt. Nu al worden er geavanceerde wapensystemen ontwikkeld waarmee complete infrastructurele data- en communicatienetwerken volledig kunnen worden lamgelegd … dus wat wil men, dat is beslist geen fictie of zwartkijkerij.


Depolitisering: de hardnekkige 'niets-aan-de-hand' wegkijk-attitude

Er is volgens sommige VVD-bewindslieden weliswaar sprake 'achterstallig onderhoud', maar tengevolge van (a)politieke amnesie 'vergeet' men erbij te vermelden dat de VVD zelve zo'n veertig jaar lang vrijwel onafgebroken regeert en beleidsverantwoordelijkheid draagt. Dat is niet alleen pijnlijk, maar ook uiterst misleidend. Vooral wanneer de regering bij monde van premier Rutte naar aanleiding van vragen over de actuele stand van zaken stelselmatig verklaart dat "alles draait om de economie" en dat er wat dit betreft weinig aan de hand zou zijn [sic].

Zou het werkelijk? Wiens economie heeft hij op het oog en in welk opzicht zou er vervolgens reden zijn tot euforie en borstklopperij? En last but not least: waar komen al die opeenvolgende crisissen dan vandaan die niet bepaald blijk geven van een 'geoliede machine'? Getotaliseerde (macro-)economische cijfers zeggen immers feitelijk vaak nog maar weinig over concrete (sociaal-)economische verhoudingen en al helemaal niets over institutionele machtsstructuren die flink ontregelend kunnen uitpakken zoals men behoort te weten. Bovendien kan men vraagtekens plaatsen bij de stelling dat 'de economie' allesbepalend zou zijn. Dat is een achterhaalde en al te simplistische voorstelling van zaken die inmiddels steeds weer opnieuw door de politiek-maatschappelijke werkelijkheid wordt gelogenstraft. [1]

Wie kortom meent dat getotaliseerde economische cijfers allerwegen sluitend inzicht zouden geven in het wel en wee van de bevolking mist eenvoudig de portee van waar het bij adekwaat beleid en bestuur om gaat. Een apolitieke benadering derhalve die weinig om het lijf heeft, alhoewel er voor de bühne voortdurend goede sier mee wordt gemaakt. Het hameren op (vermeende) economische successen dient dan ook primair een politiek-publicitair doel, namelijk het apaiseren van gemoederen die het voorgestane beleid zouden kunnen hinderen. Wat zoveel wil zeggen als onwelkome kritiek de wind uit de zeilen trachten te nemen. (De in managementkringen populaire, maar desondanks sleetse cliché-metafoor van de 'halfvolle en halflege glazen' weet u wel…).

Ja, zo lusten we er nog wel een paar. In dezelfde lijn wordt er steevast over 'polderende communities' gesproken alsof lokale gemeenschappen, evenals individuele burgers, ook maar enigszins opgewassen zouden zijn tegen oligarchische financieel-economische conglomeraten die volledig met instemming van regering en parlement een breed scala aan markten beheersen en naar hun hand weten te zetten. (Ouwehand van de Partij voor de Dieren zei het immers al: "politiek gaat niet om macht"…). Crisissen ontstaan dan ook niet 'vanzelf' en worden evenmin onder loutere verwijzing naar 'daadkracht' of 'goede intenties' opgelost. Dat kan men een kleuterklas wellicht wijsmaken, maar zulke sprookjes zijn een volwassen democratie onwaardig. Deze retoriek heeft haar langste tijd nu echt wel gehad.

Maar men vergisse zich niet. Nu ook de EU onder goedkeuring van de verzamelde milieupartijen voluit inzet op 'zelfsturende (energie)communities' zijn we desondanks nog lang niet hiervan af. Men wil maar niet inzien en erkennen dat er slechts ÉÉN 'community' bestaat: de samenleving als geheel. Zo niet, schaf dan nationale staten en de hele santenkraam van overheid, regering en parlement maar gevoeglijk af. Die zijn dan volstrekt overbodig. Het enige juiste alternatief blijft derhalve onomwonden dat men samenlevingen als rechthebbende entiteiten blijft benaderen en dat men alle burgers in hun rechtmatige aanspraken onverkort tegemoet dient te komen. Dat blijft nu eenmaal de basis van alle beleid en bestuur dat zich op legitimiteit wenst te beroepen. Het is niet anders.

Het spekken van (groot)aandeelhouders is niet per definitie 'congruent' aan het algemeen belang, welke economische rechtvaardiging men hiervoor ook mene te kunnen aanwenden. Wanneer dit tevens gepaard gaat met massieve kapitaalonttrekking en de verwaarlozing van de publieke sector zoals nu al decennialang het geval is, is het goed om de woorden van Locke hier nog eens te memoreren en de nog immer actuele portee hiervan tot zich te laten doordringen:

    "De wetgevende macht wordt uitgeoefend door, maar is niet de eigendom van de wetgevende instantie... Het is toch zo dat, als iemand 
     een macht wordt verleend met het oog op het bereiken van een doel, dat doel meteen ook die macht beperkt. Wanneer hij dat doel
     verwaarloost of tegenwerkt, dan kan de gemachtigde uiteraard geen aanspraak meer maken op het in hem gestelde vertrouwen: de
     machtiging vervalt en alle bevoegdheid keert terug in handen van diegenen die haar hadden verleend... Zo behoudt de gemeenschap

     [2] zelf ten allen tijde het hoogste recht om zich te verdedigen tegen de pogingen en plannen van wie dan ook, de wetgever niet uit-
     gesloten, die zo dwaas of boosaardig zou zijn een aanslag te ondernemen tegen de vrijheden en eigendommen van de onderdanen."
     (Locke, J. Second Treatise of Civil Government, 1689)

Ja, da's andere koek mijnheer Rutte. 'Mehr Schein als Sein' gedijt niet. Over 'Sollen' dan verder maar even niet gesproken, daar de categorische imperatief van Kant over het fundamentele onderscheid tussen wat is en wat zou behoren, dan wel zou kunnen zijn zo'n twee en een halve eeuw na dato voor de meesten nog altijd een bridge too far blijkt, zoals Habermas gedurende zijn lange werkzame leven heeft aangetoond en voortdurend onder de aandacht heeft trachten te brengen. Desondanks lijken velen er (al dan niet onder verwijzing naar de deconstructivisten [3]) zeer ten onrechte van overtuigd dat nogal wat historisch gegrondveste zaken simpelweg 'inwisselbaar' zouden zijn en dat dit niet zou uitmaken zolang 'de doelen' – welke dan ook – maar gehaald worden (al is het slechts op papier).

Habermas waarschuwt: 

     'De genealogische theorie [van Foucault] wordt ingehaald door een lot dat vergelijkbaar is met dat van de menswetenschappen:
     In de  mate dat ze zich terugtrekt in de reflectieloze objectiviteit van een niet-participerende, ascetische beschrijving van kaleido-
     scopisch veranderende machtspraktijken, komt de genealogische geschiedschrijving uit haar cocon tevoorschijn als precies de       
     presentistische, relativistische, cryptonormatieve illusoire wetenschap die ze niet wil zijn.'
[4]

Dit moge wellicht nogal cryptisch klinken, maar voor de goede verstaander moge het duidelijk zijn dat men nog altijd ver verwijderd is van een moraal die tegelijkertijd 'praktisch' en menswaardig(heidsbevorderend) is en dat fraai geformuleerde uitgangspunten alléén niet volstaan. Het project van de moderniteit vertoont daarom niet alleen 'achterstallig onderhoud', maar mist zeker ook essentiële continuïteitsmechanismen die men niet kan negeren. Het sociaal contract is daar één van, evenals principes van machtenscheiding, mandaatverstrekking en identiteitsbepaling die alle voor de bepaling van de vrije wil binnen de democratische rechtsordening van ongecorrumpeerd belang zijn. De verhouding tussen vrijheid en gelijkheid is hierbij permanent aan de orde, zoals ook het nuttigheidsdenken blijvend kritisch dient te worden bezien. Het paradoxale is evenwel dat de maakbaarheidsgedachte in technocratisch opzicht weliswaar wordt omarmd, maar dat deze tegelijkertijd in politiek opzicht vrijwel onmogelijk wordt gemaakt en afgebroken.

Ofschoon het betwisten van vermeende utilitair-technologische vooruitgangsconcepten zeker niet nieuw is, is het enig werkbare alternatief de politieke ordeningsgerichtheid zodanig nader te definiëren en ter hand te nemen opdat de vermeende 'onvermijdelijkheid' van een allerwegen tot heil strekkende technocratische laboratoriumsamenleving niet langer bezit neemt van alleszins noodzakelijke politieke beleidskeuzes die daardoor het onderspit delven of geheel achterwege blijven. Deze monomane verdwazing speelt slechts een handvol risicokapitalisten in de kaart en zal uiteindelijk leiden tot een volledig gecontroleerde samenleving zoals men elders in de wereld reeds volop kan waarnemen. Wil men werkelijk deze richting op, of komt men bij zinnen? Daar kan men van links tot rechts bij alle hedendaagse commotie nog flink op kauwen, ware het niet dat partijen als de PvdA en GroenLinks zich al een tijdlang hebben overgegeven aan zinloos navelstaren, de ooit progressieve sociaal-liberalen van D66 zichzelf hebben laten reduceren tot slippendrager van onvoldragen en geldverspillende duurzaamheidsagenda's en men verder op rechts finaal vastloopt in alle crisissen die men zelf heeft veroorzaakt. Behoorlijk bestuur is verre van vanzelfsprekend. Vooral niet indien mythes daarvoor als leidraad worden gehanteerd. Elke bestuurder dient zich adekwaat te verantwoorden voor de politieke en ideologische keuzes die worden gemaakt. Daarbij hoort ook deugdelijke informatievoorziening vooraf, maar passen geen drogredenen of het spelen op goedkope sentimenten. Idealisme is mooi, maar zonder realiteitsbesef verzandt een en ander al snel in verstikkend burocratisch formalisme. Legitimiteit moet keer op keer worden waargemaakt. Technocratie en economie zijn niet zaligmakend, maar kunnen hooguit als middelen worden ingezet. Het primaat van het recht is het hoogste goed, maar dan moet dan recht wel ten dienste staan van alle burgers en niet ter garantstelling van selectieve deelbelangen van enkelen.

Wie derhalve meent dat het formuleren van 'doestellingen' wel afdoende garanties biedt, vergist zich. Dromen kan iedereen, maar maatschappelijk verantwoord handelen vereist kennis, kunde en een – loyale, ruimhartige – vaste hand. Daaraan ontbreekt het schromelijk. De uitverkoop van infrastructurele energienetwerken bijvoorbeeld moge qua revenuen voor aandeelhouders dan wel lucratief lijken, voor die zo gekoesterde energietransitie en de daaraan gekoppelde 'strategische autonomie' zal het een voortgezet gebed zonder eind blijken. Nu al blijkt het elektriciteitsnetwerk volstrekt inadekwaat om aan de toenemende vraag te kunnen voldoen. Om de noodzakelijke regie te kunnen nemen zijn waarlijk wel andere opties denkbaar, alsook onontbeerlijk. Men heeft gezien alle gerommel met nationale belangen evenwel nog altijd weinig geleerd van alle privatisering in het verleden.

'Uitdagingen' moeten zeker worden aangegaan, maar mogen niet worden misbruikt voor tweederangs of politieke marketingdoeleinden. Hetzelfde geldt voor de geopolitiek, die evenmin mag worden misbruikt als speelplaats voor verdwaasde machtswellustelingen. Dergelijke hegemoniale aspiraties en aanspraken moeten aan alle kanten van het internationale spectrum worden ingeperkt. Dit kan echter niet worden overgelaten aan een handjevol regeringen, zoals nu kennelijk het geval lijkt te zijn, maar moet rechtsreeks en onverkort door de voltallige internationale rechtsgemeenschap worden opgepakt. Als zij daartoe niet bereid of in staat blijkt, moet men niet verbaasd zijn dat deze 'regulering' plaatsvindt op basis van selectieve belangen waarbij uiteindelijk niemand gebaat is. Doorgaan op deze weg komt neer op het nemen van zeer grote risico's, hoezeer men ook denkt aan de goede kant van de geschiedenis te staan. Het modelleren van de werkelijkheid naar droombeelden keert zich altijd tegen zichzelf, vooral wanneer men zich laat leiden door valse voorstellingen van de werkelijkheid en daarbij zelfgenoegzaam of hooghartig handelt. In waarlijk moderne tijden zou politieke besluitvorming hiervan afgeschermd moeten zijn. Dit vereist echter een ander type politici en bestuurders dan degenen die menen dat samenlevingen zonder hun 'onmisbare managementkwaliteiten' slechter af zouden zijn. Helaas is het tegendeel waar.

Mensen beseffen kortom te weinig hoe dwingend de technocratische cultuur in veel opzichten is geworden en hoe afhankelijk samenlevingen daarvan inmiddels ook zijn. Bij alle euforie over 'vooruitgang' is dit een niet te onderschatten ontwikkeling die noopt tot diepgaande bezinning alvorens het in het vooruitzicht gestelde 'heil' te omarmen. Want wat is de waarde van 'een gereguleerde solidariteit' die louter energiebedrijven, verzekeringsmaatschappijen en andere institutionele beleggers dient? Dat is geen gemeenschappelijke belangen- behartiging ten gunste van iedereen, maar een venijnig financieel kapitalisme dat weinig te maken heeft met 'vrijheid' of 'gelijkheid'.

Met het oog op politieke heroriëntatie een paar aanbevelingen om uit de huidige impasse te komen.

Allereerst gaat politiek niet over vermeende 'harmonie', maar altijd over tegenstrijdige belangen die om de voorrang strijden. Daaruit dient een zekere consensus worden gedestilleerd die werkbaar is en de maatschappelijke ontwikkeling ten goede komt. Dit leidt tot het volgende:

i.    Breng de depolitisering tot staan door politieke en ideologische kwesties op een werkelijk open, dat wil zeggen discursieve manier aan te pakken, waarbij verlammende 'politieke correctheid' niet langer beleidsbepalend is bij het nemen van noodzakelijke beslissingen.

ii.  Herstel de publieke sfeer en het publieke domein naar hun grondwettelijke bedoelingen en uitgangspunten en stop de uitverkoop van collectieve bestaansmiddelen.

iii.   Geef voorrang aan het politieke en wetgevende primaat van de volksvertegenwoordiging.

iv. Stop de paternalistische benaderingen van het burgerschap alsof burgers een verzameling onwetende idioten zijn en respecteer hun gelijke rechten ten volle.

v.   Zorg ervoor dat oligarchische financiële en marktstructuren worden onderworpen aan democratisch gecontroleerd gezag.

vi. Laat technocraten en hun managementassistenten de samenleving niet regeren en controleren alsof zij alle wijsheid in pacht          hebben. Zorg ervoor dat alleen betrouwbare en ervaren bestuurders noodzakelijke plannen ontwikkelen en uitvoeren waarmee in den brede is ingestemd.

vii.  Pas op voor nationalistische sentimenten en tendenzen die de rechtsstaat ondermijnen.

viii.  Zorg voor een redelijke verdeling van inkomen en welvaart en voor een evenwichtige allocatie van publieke goederen en diensten, en institutionaliseer sociale zekerheid  volgens rechtsstatelijke beginselen. (Een grondwettelijke aanvulling op de sociale grondrechten kan onontbeerlijk zijn en zulks ten goede komen).

ix.  Stop risicovolle oorlogshitserij en leg het buitensporig geldverslindende militair-industriële complex aan banden.

x. En tenslotte: bedenk dat 'economische vooruitgang' niet automatisch algemeen welzijn impliceert.        

Wanneer deze leidende beginselen in acht worden genomen is de kans groot dat veel hedendaagse maatschappelijke vraagstukken ten goede kunnen worden gekeerd. Zo niet, dan blijft het in veel opzichten aanmodderen, met alle destabiliserende gevolgen van dien. Een 'nieuwe bestuurlijke cultuur' omvat immers méér dan retoriek, hoezeer het babbelzieke volkje ook anders meent.



 

[1] Zo klampte men zich lange tijd vast aan het idee dat welvaart automatisch tot algemeen welzijn zou leiden en dat BBP-cijfers daarvoor een juiste en toereikende indicator zouden zijn. Sedert gerede tijd is dit concept ondeugdelijk gebleken, zodat men deze benadering heeft vervangen door het meer omvattende HDI-cijfer (Human Development Index) en hieraan inmiddels tevens ongelijkheidsfactoren heeft toegevoegd (HDI-I). Het ontwikkelde 'brede welvaartsbegrip' is een poging om hieraan beleidsmatig handen en voeten te geven. 

[2]  Opmerking: hoewel de begrippen 'de Staat' en 'het Volk' sterk zijn samengesmolten, blijft het belangrijk om een onderscheid tussen beide te maken. In Locke's tijd was 'de Staat' echter nog gekoppeld aan (noties van absolutistische) monarchale machten, terwijl 'de Gemeenschap' [community] verwees naar burgers en hun wettelijke vertegenwoordigers in moderne democratische staten die toentertijd nog volop in opkomst waren. Maar of er nu een 'volonté generale' bestaat of niet, de notie van algemeen welzijn blijft sterk verbonden met de soevereiniteit van het volk die de (moderne) staat ten volle dient te respecteren. 

[3] Deconstructivisme verwijst hier naar de filosofische stroming waarbij wordt gesteld dat zaken pluri-interpretabel zijn en fenomenen derhalve een (cultureel bepaald 'belevings- of ervarings)panopticum' vormen. De 'grote verhalen' (van kennisverwerving, logica, waarheidsvinding en zijnsbepaling) wijst men af en men stelt zich op het standpunt dat een subjectieve irrationaliteit leidend zou zijn (vandaar dat filosofen als Foucault, Nietsche en Wittgenstein in zulke kringen heden ten dage ongekend populair zijn). In zoverre keert men zich radicaal tegen geformuleerde moderniteitsprincipes van rede en ratio, waartegen onder meer Habermas zich stevig heeft verzet daar een en ander gemakkelijk ontaardt in algeheel nihilisme en elke redelijke richtingsbepaling daardoor verloren gaat. Deze stroming kan als een ernstige breuk met de ontwikkeling van de moderniteit worden beschouwd die tevens de grondslag vormde voor 'postmoderne' staatsopvattingen zoals die met het neoliberalisme gemeengoed zijn geworden. Fragmentatie van beleid, bestuur en samenlevingsoriëntaties zijn dan ook niet 'zomaar' fenomenen, maar een direct uitvloeisel van zulke gerichtheden. Een zekere pathologie valt bij dit alles niet te ontkennen (zie Freyenhagen 2018; Jacobs 2016; Hirvonen 2018; Laitinen & Särkelä 2018) en kan aan tal van hedendaagse vraagstukken worden gerelateerd.

[4]  Habermas, J. Some questions concerning the theory of power; Foucault again, in: Kelly, M. (ed.) Critique and Power: Recasting the Foucault/Habermas Debate, 1994: 88 [vert. vdK]. Zie ook Habermas, J. The Philosophical Discourse of Modernity (1987) [1985] en Habermas, J. Modernity: an unfinished project, in: Passerin d’Entrèves, M. and Benhabib, S. (eds.), Habermas and the unfinished project of modernity, 1997.

 

                                                                                  'Contexten van schaarste' 

Zaken voltrekken zich niet in een vacuüm, maar alles speelt zich af binnen een bepaalde (politieke, economische, historische en cultureel-maatschappelijke) context. Niet alleen van schaarste (het centrale economische begrip), maar in voorkomende gevallen ook van verwachtingen, ervaringen en alles wat het menselijk bestaan verder in positieve of negatieve zin aangaat. Dit gegeven weerhoudt sommige politici en bewindvoerders er echter niet van om naar willekeur naar zulke factoren te verwijzen als het zo te pas komt. Daarmee neemt men een loopje met (een al dan niet relevante) causaliteit die er tussen omstandigheden en fenomenen zou bestaan. Bij alle commotie over 'fake' informatie een ernstig gebrek aan realiteitsbesef met serieuze consequenties voor de beleidsbepaling. Wat moet de samenleving daarmee?

Wie niet beseft of wil erkennen dat al hetgeen mensen drijft altijd neerkomt op afweging en prioriteitstelling van (on)mogelijkheden en noodzakelijkheden, mist de portee van keuzebeslissingen die immer hierop zijn terug te voeren. Dat geldt in het bijzonder voor beleidskeuzes. Bij ontkenning hiervan verworden debatten over verantwoording tot een farce. Deze ontwikkeling ondergraaft al hetgeen waar het bij (politieke) besluitvorming en beraadslaging telkens weer om draait. Men kan zich nog zo veel willen beroepen op 'faits accomplis', of op onwrikbare beoordelingen van situaties, beleidsverantwoordelijken ontkomen niet aan het geven van rekenschap en het afleggen van verantwoording wanneer daartoe wordt opgeroepen. Te meer daar de samenleving hiervan primair afhankelijk is en ingenomen bestuurlijke posities en functies allesbehalve vrijblijvend zijn. Wie anders meent is zo'n positie niet waardig en dient zich daarop te bezinnen. Wanneer zulks niet vrijwillig gebeurt, zal dit onder dwang moeten geschieden. Zo niet, dan ligt de weg naar ontregelend (a)politiek cynisme nog verder open dan nu reeds het geval is.

Anders gezegd, wie meent alles waarvoor men direct of indirect verantwoordelijkheid draagt onbekommerd van zich te kunnen laten afglijden legt de bijl aan de wortel van alle vertrouwen waarop men meent ongelimiteerd en gratuit te kunnen (blijven) rekenen. Een grotere politieke misvatting is nauwelijks denkbaar. (Coalitie)bondgenoten mogen zich dan wel dociel opstellen, dat wil niet zeggen dat de burger zich gek laat maken. Er zal worden afgerekend, hoe die afrekening ook moge uitpakken. Daarvoor kan men de ogen willen sluiten, deze dans zal men niet ontspringen. Dat is óók een 'contextueel gegeven' waar men niet omheen kan, zoals (al dan niet zelfverklaarde) historici dienen te weten. Wie zich laat leiden door welbewuste selectieve amnesie, bindt de kat de bel aan en drijft hem in het nauw. En zo'n kat kan rare sprongen maken…

                                                                                       Misleidend egalitarisme

Bij alle – formeel veronderstelde – rechtsgelijkheid is het goed om te beseffen dat dit uitgangspunt in de praktijk op talloze manieren wordt gelogenstraft. Niet alleen wat sociaal-economische posities van burgers betreft, maar vooral ook ten aanzien van hun praktische rechtsmogelijkheden. Wie als individueel burger bij de rechter zijn/haar juridisch gelijk wil halen heeft het beduidend moeilijker – en ook minder kans op rechtsherstel – dan degenen die over flinke (al of niet legaal verkregen) financiële middelen beschikken en zich daardoor kunnen verzekeren van (dure c.q. langdurige) rechtsbijstand. Er is in dit opzicht sprake van niet te onderschatten rechtsongelijkheid.

Daarnaast leidt het idee van een nagenoeg 'egalitaire samenleving' waarin het aloude rangen- en standenonderscheid 'niet meer relevant' zou zijn tot een misplaatst besef van de maatschappelijke werkelijkheid die nog altijd gekenmerkt wordt door aanmerkelijke verschillen in culturele achtergronden en daardoor ook aanzienlijke verschillen in kansen. De 'gelijke kansen' die de bevolking worden toegedicht blijken in de praktijk nogal 'divers' uit te pakken. En dat manifesteert zich al op jonge leeftijd wanneer de maatschappelijke selectie via het onderwijs een aanvang neemt. De reproductie van sociale ongelijkheid zet zich onmiskenbaar via socialisatie voort, ook al veronderstelt men dat opwaartse mobiliteit voor eenieder is weggelegd. Een 'jij en jou en doe-maar-gewoon-cultuur' of een sterke identificatie met succesvol(le) (geachte) rolmodellen doet daar niets aan af. Dat is slechts uiterlijke schijn.

Er is kortom sprake van overschatting (van mogelijkheden) en onderschatting (van minder fortuinlijke omstandigheden, mechanismen en perspectieven) tegelijkertijd, die niet zomaar tegen elkaar kunnen worden weggestreept. Het idee van 'kansen pakken' waarmee zo overvloedig wordt geschermd zet de burger daardoor op het verkeerde been, waardoor 'achterblijven' de misplaatste connotatie krijgt van 'persoonlijk falen'. Zoals eerder betoogd is de samenleving allesbehalve een 'meritocratisch' geheel (althans in de juiste betekenis van het woord merit, ofwel persoonlijke verdienste). Slechts weinigen krijgen de (materiële en immateriële) revenuen van hun inzet en arbeid toebedeeld die hen – maatschappelijk gezien – toekomen. Dat heeft niet alleen met de maatschappelijke waardering van (diverse soorten van) arbeid te maken, maar vooral ook met arbeid als economische exploitatiefactor. De meesten moeten het doen met wat er na 'kostenverrekening' en fiscale afdrachten resteert — en dat is doorgaans beduidend minder dan waarover ongebreidelde 'jubelfiguren' kunnen beschikken die weliswaar goed 'in de markt' liggen, maar hun 'verdiensten' gelet op hun 'bijdragen' lang niet altijd waard zijn. Er wordt vaak meer verondersteld, dan waargemaakt. (De goede verstaander begrijpt de portee).

De permanente dans om (gunstige) posities is zowel in economisch als in sociaal opzicht meedogenloos en zet de maatschappelijke verhoudingen stevig onder druk. Alle gelijkheidsbevorderende wetgeving ten spijt. Want zolang ongelijkheid in stand houdende structuren niet fundamenteel worden aangepakt zijn regelingen niet meer dan doekjes voor het bloeden. De samenleving is derhalve minder egalitair dan het lijkt en zeker geen 'kansenparadijs', hoezeer mensen zich ook inzetten. Voortgezette hiërarchische afhankelijkheidsstructuren verhinderen zo'n shift of positions en laten de individuele burger in de waan dat dat uitsluitend aan hen zèlf te wijten zou zijn. Een beproefd middel ter handhaving van de status quo. Dat wel.

 

                                               Megalomaan pokeren en drammen. Over agressie, defensie en preventie

Bij alle misplaatste euforie over de veronderstelde 'veiligheidsbevorderende' en 'agressie indammende kracht' van het wereldomspannende wapengekletter beseft men klaarblijkelijk niet hoezeer er met risico's wordt gejojood en hoezeer volkeren en staten zich daarbij voor allerhande duistere karretjes laten spannen. Risico's evenwel, die niet te overzien zijn en desastreuze gevolgen kunnen hebben. Men staart zich blind op wapensystemen alsof het speeltjes in een computerspelletje zijn, maar de sinistere realiteit is er een van meedogenloze machtswellust. Er wordt met droge ogen gepokerd met mensenlevens alsof die levens secundair zouden zijn en het slechts zou gaan om 'positieafbakening'. (En dat geldt zeker niet alleen voor Putin c.s.). Intussen worden de dreigementen over en weer opgevoerd onder de (impliciete) veronderstelling dat het zo'n vaart niet zal lopen daar de betreffende leiders zich (uiteindelijk) wel zullen weten te beheersen. Dat is een van de grootste risico's die men neemt, want wie garandeert zulk een beheersing en op grond waarvan neemt men maar simpelweg aan dat zaken niet zullen escaleren en volledig uit de hand zullen lopen? Nobody knows, en laat dàt nu juist een groot gevaar inhouden. [1]

Het gadeslaan van deze ontwikkeling waarbij men babbelt alsof het om peanuts zou gaan, doet ontluisterend aan. Vooral wanneer men bedenkt dat met louter militaire middelen en het opleggen van 'sancties' ook de immense eigenmachtige financiële wildgroei van oligarchen in de wereld niet wordt uitgebannen. Die 'handel' gaat gewoon door, want sluiproutes zullen er altijd blijven zolang de onderwereld zich kan blijven verzekeren van medewerking uit de legale wereld. [2]

Al met al wordt er flink met vuur gespeeld en worden er onverantwoorde risico's genomen. Men zou er zo langzamerhand na alles wat er in de loop der geschiedenis op dit gebied heeft plaatsgevonden stevig van doordrongen moeten zijn dat wanneer er points of no return worden gepasseerd er ook letterlijk geen weg terug meer is. Hoe meer de hakken in het zand worden gezet, hoe groter de kans dat escalerende mechanismen onbeheersbaar worden aangejaagd. Met alle gevolgen van dien. Aan het maken van goede sier voor de bühne heeft men niets, hoezeer allerhande media hierop ook gretig mogen inspelen. Het 'voetvolk' is (zoals altijd weer) de klos en mag de kastanjes waarmee anderen zich op de borst kunnen kloppen voor eigen rekening uit het vuur halen. Dat is uiteindelijk de portee van al het militarisme waartoe bevolkingen niet alleen stelselmatig worden verleid, maar waarmee men tevens keer op keer een rad voor ogen wordt gedraaid. Hoe het ook wordt voorgesteld, nobody 'wins' in the end — er zullen slechts verliezers zijn. Want of de goeden het nu van de slechten winnen, de 'prijs' zou wel eens veel hoger kunnen zijn dan de 'winst' die men denkt te kunnen boeken, hoezeer men agressie ook (terecht) tracht in te dammen. Maar agressie die men altijd met gelijke munt meent te moeten beantwoorden, dan wel ermee te moeten dreigen, houdt zulke mechanismen over en weer op paradoxale wijze tevens in stand. Dan is men de gevangene van zichzelf geworden.

'There is no alternative', wordt er gezegd. De vraag is of dit juist is. Het zou al heel wat uitmaken indien men conflict-aanjagende agressiemechanismen beter zou doorgronden. Dan zou kunnen blijken dat de vermenging van politieke, economische en militair-strategische belangen op zich al een niet te onderschatten risico vormt waarin zowel 'foute' als 'beschaafde' staten wereldwijd verstrikt zijn geraakt. Dat werpt de vraag op waarom staatslieden ondanks de vele risico's van mening blijven dat hun belangen het beste zijn gediend bij een opstelling waarmee men het eigenbelang –  of wat daarvoor doorgaat – vaak zo pregnant en vaak ook tegen beter weten in poogt door te drukken.

De Nederlandse grondlegger van de polemologie, Röling, maakt een onderscheid tussen gewilde en ongewilde oorlogen en merkt daarbij op dat deze onderscheiding in het bijzonder wordt vervaagd door het feit dat 'daden in de buitenlandse politiek gevaarlijk kunnen zijn' en 'het gevaar voor oorlog meebrengen, zonder dat ze zelf oorlogsdaden zijn. Regeringen verschillen vooral in de graad van het risico dat ze bereid zijn te nemen.' [3] Alsmede: 'Op de achtergrond van elk belangrijk geschil tussen staten spelen [de actuele]feitelijke, militaire machtsverhoudingen. Maar het gaat in de dagelijkse buitenlandse betrekkingen om andere dan politiek-militaire verhoudingen. Staten hebben culturele betrekkingen, en economische. Die zijn van groot belang, ook voor de het probleem van oorlog en vrede.' [4] 

In de huidige geopolitieke constellatie moet echter tevens het streven naar hegemoniale macht niet worden onderschat. Neokoloniale aspiraties zijn nog immer relevant om rekening mee te houden.
Over de niet of minder zichtbare wijze van zulk een politiek merkt Röling op: 'Als we de internationale politiek van staten bezien moeten we […] niet alleen kijken naar wat officieel, min of meer openbaar, gedaan wordt, maar ook wat in het strikste geheim, ondergronds, tot stand wordt gebracht. Sinds […] het toenemend gevaar van openlijke gewelddadige politiek, is, zo kan men zeggen, een goed stuk militaire machtspolitiek ondergronds gegaan. Juist omdat deze ondergrondse buitenlandse politiek zo effectief kan zijn - men denke b.v. aan het omverwerpen van de regering in Guatemala [5] door de CIA - zullen andere staten daar evenzeer op reageren als op de officiële politiek.'
 
In het verleden is gebleken dat het sluiten van militaire bondgenootschappen niet per definitie een garantie voor bescherming bood, maar bovenal een conflict-aanjagend effect had zoals dit tot uiting kwam bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Na het beëindigen van de Tweede Wereldoorlog heette de gewapende vrede tussen de twee tot de tanden gewapende antagonistische machtsblokken Navo en Warschau-Pakt tijdens de Koude Oorlogsperiode weliswaar een vorm van vreedzame coëxistentie te zijn, de zaken stonden daarentegen wel op scherp en er behoefde maar weinig mis te gaan of het potentiële militaire treffen zou in een nucleair Armageddon zijn ontaard. Zoals wij nu weten kwam de formele beëindiging van de Koude Oorlog in feite neer op een tijdelijke détente die de VS en haar bondgenoten hebben aangewend om de voormalige Oost-Europese satellietstaten via de EU met succes binnen hun invloedssfeer te krijgen. Daarmee hield het echter niet op, want ook de voormalige Sovjet-republieken bleken na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie een aanlokkelijk doelwit voor zulke hegemoniale aspiraties te zijn. Dat de VS daarin gelet op Russische en Chinese bemoeienissen met andere delen van de wereld buiten hun grondgebied niet de enige zijn moge zo zijn, het doet niets af aan het feit dat de wereldorde niet zo zwart-wit is als deze wordt voorgesteld. Het over en weer dreigen met handelsoorlogen en -boycotten (om de eigen productie veilig te stellen) waarbij wederzijdse afhankelijkheidsstructuren (botweg) worden genegeerd, is in elk geval kortzichtig en contraproductief. Men moge de oorlog 'met andere middelen', zoals financieel-economische, willen voeren, het blijven bronnen van potentieel-gewelddadige conflicten. Vooral tegen de achtergrond van continue wapenleveranties die de wapenwedloop opjagen.
 
Wie zich beroept op 'defensieve noodzakelijkheid' om de eigen soevereiniteit en het daarbij behorende grondgebied tegen ongewenste indringers te beschermen dient op de eerste plaats gevrijwaard te zijn van offensieve aspiraties van welke soort ook. Dat moge gelden voor vreedzame, maar desondanks bruut geattaqueerde volkeren en staten zoals onder meer gedurende de koloniale periode, maar welke (andere) staten kunnen gezien alle tentoongespreide imperiale, koloniale en hegemoniale aspiraties uit het (recente) verleden feitelijk op zulk een onbevlekt blazoen bogen? Dat zijn er welgeteld niet zoveel. En zeker de grootmachten en hun verzameling slippendragers van nu niet.
Wanneer men meent dat zelfs het sluiten van bilaterale deals met allerlei niet zo brandschone regimes soelaas zou kunnen bieden tegen ongebreidelde machtswellust, dan is men nog ver verwijderd van een vreedzame wereldorde die men daarmee denkt te kunnen bewerkstelligen.
Kortom, er bestaan geen 'schone' oorlogen. Wie daarentegen geen 'vuile handen' wil maken, bedenke zich daarom tweemaal. 

Röling tenslotte: 'Als we dus de buitenlandse staatsactiviteiten onderscheiden in militaire, politieke, culturele (ideologische) en economische, dan kan telkens gevraagd worden, van elk van die gebieden, of die activiteiten offensief of defensief zijn. En we kunnen vaststellen, dat in onze tijd de militair-politieke verovering is teruggetreden, maar dat pogingen tot ideologische of economische 'verovering' passen in het geldende patroon.[…] Het is wel duidelijk, dat zolang we nog leven in een competitief wereldbestel, de staten op alle gebied blijven streven naar zo machtig mogelijke posities, al dan niet in bondgenootschappen. Overzien we dit geheel van factoren […] dan is het wel duidelijk dat 'vredespolitiek' of 'politieke die tot oorlog leidt' niet alleen te maken heeft met de militairpolitieke verhoudingen. Men kan een militair-defensieve politiek, uit op veiligheid, voeren, maar tegelijkertijd een agressieve ideologische en economische politiek. Men spreekt daarom terecht niet alleen van directe, militaire agressie (oorlog) maar ook van indirect agressie, economische en ideologische agressie (subversie).'  [6]

Ondanks dat deze woorden uit 1973 dateren, is het opmerkelijk dat Röling toen al waarschuwde voor potentiële escalatie tussen de verzamelde Europese staten en de (toenmalige) Sovjet-Unie toen hij wees op destijds reeds ver ontwikkelde politieke plannen om via een 'indirecte strategie' kleine staten uit het Sovjet-blok te isoleren en welbewust te verleiden het westerse (ideologische) kamp te verkiezen. Niets mis mee zou men kunnen denken, maar desondanks levensgevaarlijk, zo stelde Röling met een vooruitziende blik.

Tja daar staan we nu vijftig jaar na dato… Veel is vergeten en/of wordt niet meer onder ogen gezien, maar de geopolitieke werkelijkheid blijkt nog altijd even dubbelzinnig en weerbarstig als destijds. Maar ja, Von der Leyen was tenslotte nog maar amper 15 toen dit werd geschreven, dus wat verwacht men… (om over Rutte (6j), Hoekstra (nog niet geboren), Ollongren (6j) en Kaag (12j) verder maar niet te spreken, daar de polemologie reeds goeddeels ten grave was gedragen toen zij aan het studeren togen en daarna vrijwel uit beeld verdween). De huidige bestuurlijke lichting blijkt evenwel nog veel te moeten (bij)leren.                                                                                



[1] Bekijk maar eens de ontluisterende speelfilm Dr. Strangelove van Stanley Kubrick (1964) waarin het (potentieel) eigenmachtig optreden van militairen en hun bevelhebbers en de risico's die met (nucleaire) wapensystemen worden genomen op een aanstekelijke, maar desondanks niet mis te verstane wijze tot in de finesses wordt blootgelegd. Zo 'absurd' als deze realiteit in beeld wordt gebracht, zo risicovol is de huidige constellatie in menig opzicht. Wie desondanks meent dat oorlog een spelletje is, moet nog veel leren.

[2] Zie het onderzoek van het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ) rond de publicatie van de Panama-papers (2015). Zie ook de vele rapporten met waarschuwingen en aanbevelingen van criminoloog C. Fijnaut over de werkwijze en structuur van de internationaal georganiseerde misdaad.

[3] Röling, B.V.A. Polemologie. Een inleiding tot de wetenschap van oorlog en vrede. Van Gorcum 1973, hfd.4 Oorlog en agressieve politiek, pp. 48-49

[4] Ibid. p. 50

[5] Ook al noemt Röling hier slechts één voorbeeld, er zijn er meerdere zoals Chili en niet te vergeten de langdurige gewelddadige poging om de politieke ontwikkelingen in Vietnam met draconische middelen naar Amerikaanse wensen 'te modelleren'. Daarbij moet ook de vergaande inmenging van de toenmalige Sovjet-Unie in Oost-Europese satellietstaten zeker niet worden vergeten. Zowel de KGB als de CIA zijn geharnaste handlangers gebleken van uiterst agressieve c.q. gewelddadige buitenlandse politiek.

[6] Ibid. p.54-55

                                                         De clichématige reproductie van de middelmaat

Al in een vroeg stadium van het 'normen- en waardendebat' werd in het verlengde van het onderscheid tussen strafwaardigheid en strafbaarheid op het belang gewezen van een zorgvuldig onderscheid tussen ongepast, hinderlijk, ongewenst en onacceptabel/ onaanvaardbaar gedrag. [1] Desondanks lijken de grenzen hiertussen in snel tempo te vervagen en de 'subjectieve belevingservaring' allesbepalend te worden. Alsof de verwarring inmiddels hierover al niet compleet is, komen hier nog een paar extra onheilspellende ontwikkelingen bovenop die een nagenoeg eigen leven dreigen te gaan leiden met grote gevolgen voor (kennisverwerving en expressiemogelijkheden via) het onderwijs, de journalistiek en de kunsten.

Zo het epigonisme sinds de algehele digitalisering al een grote vlucht nam, zo voltrekt de clichématige reproductie van de werkelijkheid zich met de moderne communicatiemiddelen met duizelingwekkende snelheid en is deze al verder gevorderd dan menigeen beseft. Dit proces omvat zowel kennis- en informatieverwerving, als opvattingen en percepties van de werkelijkheid. Het gevolg is evenwel dat de zelfstandige, onafhankelijke en grensverleggende verbeeldings- en denkkracht het loodje legt en dat nagenoeg alles wat mensen beweegt in veelal benepen moralistische kaders van een bedroevend niveau wordt geperst. De veelvormige en veelkleurige realiteit wordt daarmee naar platte, uniformerende en discutabele maatstaven gemodelleerd. De grootste (algoritmische) gemene deler – ofwel de absolute middelmaat  wordt dominant. Zo bestaan er al computerprogramma's die complete 'eigengemaakte' teksten op commando produceren en over elk willekeurig onderwerp wel iets (nietszeggends) 'te melden' hebben. De vraag hierbij is: 'wie' levert welke input hiervoor? Ofwel: van welke beschikbare bronnen wordt wel – en vooral géén – gebruik gemaakt? Op welke wijze kan men zich hierin vervolgens enig inzicht verschaffen? En vooral: hoe maakt de argeloze gebruiker zinvol onderscheid tussen al het gebodene? De vraag stellen laat zich echter niet ondubbelzinnig beantwoorden, want de materie blijkt uiterst schimmig. [2] Niet zozeer doorwrochte wetenschappelijke kennis, als wel pamflettistische marketingpropaganda van een triviaal gehalte blijkt bij nadere beschouwing bij dit alles de overhand te hebben. Daar waar encyclopedische 'weetjes' al een vervanging werden geacht voor waarlijk samenhangend inzicht, daar kan eenieder nu met een simpele druk op de knop naar willekeur bogen op 'eigen werk' dat volledig kunstmatig tot stand wordt gebracht. Arme kinderen die op deze wijze van hun sprookjesuniversum, alsook van hun hang naar kennis en eigenstandige expressiemogelijkheden worden beroofd. Want onderschat niet het enorme conformerende effect dat deze ontwikkeling op het (digitaal) opgroeien zal hebben, zo die ook volwassenen in haar alomvattende greep zal krijgen. De spontaniteit van het joie de vivre staat al met al stevig onder druk. Niet verwonderlijk dat velen hieronder gebukt gaan en het hoofd in de schoot leggen.

Wat rest de mens anders dan lijdzaam toezien hoe zijn spiritual world hem allerwegen wordt ontnomen en hoe alle geest- en horizonverruiming aan banden wordt gelegd? Dan wordt het 'dromen waarmaken' wel een erg magere exercitie. Alle nietsontziende focus op 'aanpassing' en daarbij behorend 'gewenst gedrag' leidt tot een doodlopende weg. Of die nu van overheidswege wordt geëntameerd, of uit particuliere bron komt.



[1] Waarden, normen en de last van het gedrag, WRR-rapport nr. 68, Den Haag: 2003

[2] Leden van de Frankfurter Schule zoals Horkheimer, Adorno, Habermas en Marcuse hebben zich in het verleden al uitgebreid en indringend met het reproductieve element van de cultuurindustrie beziggehouden. De verwevenheid van industrialisatie, technologie, commercialisering en massacultuur leidde volgens hen tot ingrijpende veranderingen in sociale relaties, alsmede in gedrags- en denkpatronen. Technologie - en vooral degenen die zich hiervan meester maken - verkrijgen daarmee een grote grip (controle) op de samenleving. Zie o.a. Adorno, T.W. The Culture Industry. London: Routledge 1991