Vraaggesprek met de auteur van Burgers op drift, H.J.H. (Eric) van der Kooij * 

(door: Anne van der Lee)

 
De paternalistische benepenheid voorbij?

'Wie illusies zaait, zal vertwijfeling oogsten' 

 
U heeft een veelomvattend werk geschreven over een onderwerp - de verzorgingsstaat – waarover al veel is  gepubliceerd.
Vanwaar deze gedrevenheid?

Er is zeker veel gezegd en geschreven over de verzorgingsstaat, ik ben mij daarvan terdege bewust. Maar lang niet altijd in positieve of zorgvuldige zin. Er is zogezegd een enorme wildgroei in de onderhavige onderzoeksliteratuur ontstaan, waarbij naast gedegen en integere studies ook veel (ideologische) onzin is beweerd die te lang onweersproken is gebleven. Weerlegging van beweringen en standpunten is ook - en zeker niet op de laatste plaats – een taak van de wetenschap. Daartoe heb ik mij willen zetten. Niet alleen vanwege de maatschappelijke urgentie die met dit vraagstuk gepaard gaande problematiek is verbonden, maar vooral om inzicht te verschaffen in het amalgaam aan (vaak eenzijdig gerichte) visies waarmee zulke vraagstukken worden benaderd. Een zeker 'stilzwijgen' hierover diende in mijn opvatting nodig te worden doorbroken. Vooral ook omdat nieuwsvoorziening over maatschappelijke kwesties meestal vluchtig, incident-gericht en veelal zonder samenhang is. Degenen die onder verwijzing naar modieuze 'doe het zelf'-retoriek  goede sier trachten te maken en daarmee het gelijk aan hun kant lijken te hebben krijgen nu alle ruimte. Zo krijgen gratuite bespiegelingen van praatjesmakers de status van diepe wijsheid, maar blijft de burger in vertwijfeling achter. Daarmee wordt het pleit - en het vertrouwen - uiteindelijk niet gewonnen, maar verspeeld.

De boeken lijken minder geschikt voor een groot publiek, of zie ik dat verkeerd?

Dat zou kunnen, ik leg de lat welbewust hoog. Dat is evenwel niet uit elitarisme, maar vanwege een beroep op kritisch onderscheidings-vermogen. We leven tenslotte in een hoogopgeleide samenleving zoals wordt gezegd. De consequenties van het voorgestane beleid zijn veelomvattender en ingrijpender dan menigeen denkt. Eenieder heeft ermee te maken, of kan ermee te maken krijgen. Dat zijn beslist niet alleen de 'sociaal zwakkeren' zoals veelvuldig wordt beweerd. Daarom zou het aanbevelenswaardig zijn dat niet alleen beleidsmakers en hun adviseurs van het onderzoek kennisnemen. Maar ik realiseer mij dat dat wishful thinking is. De burger is de grootste belanghebbende in het geheel. Daarom zou het goed zijn dat hij zich grondig op de hoogte stelt van wat er in zijn naam wordt beslist en vooral waarom (of waarom niet). Dan zal blijken dat er minder in zijn belang wordt gehandeld dan voorgewend. Overigens werk ik voor een bre(e)d(er) publiek aan een additionele publicatie over een jaar ontluisterende polderpolitiek (2021), waarin een aantal thema's uit Burgers op een wat toegankelijker manier aan bod komen. (Zie Pas(sen) op de plaats en Passen en meten op de publicatiepagina's - AvdL).

U bestrijdt in het werk de opvatting dat de verzorgingsstaat niet meer van deze tijd zou zijn.  
Vanwaar deze stellingname?

Uitspraken als deze getuigen van selectieve waarneming en historische amnesie. Burgers lopen grotendeels nog altijd dezelfde bestaansrisico's zoals werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, inkomensterugval, ziekte en ouderdom. Zelfs in toegenomen mate. Derhalve is een solide stelsel van sociale zekerheid en collectieve voorzieningen geen 'luxe' (die aan de verzekeringsmarkt overgelaten kan worden, zoals de neoliberalen menen). De veelgebezigde opvatting dat Nederland nog altijd een verzorgingsstaat zou zijn en dat de 'participatiesamenleving' een 'verbeterde versie' daarvan zou zijn, is een idee-fixe. Zeker wanneer men de precaire ontwikkelingen in de samenleving op het gebied van werkgelegenheid, de arbeidsmarkt, sociale zekerheid en gezondheidszorg tot zich laat doordringen.

Het stelsel werd toch onhoudbaar en onbetaalbaar? Bestrijdt u dit en wilt u daarnaar terug?

Dat is het beeld dat vooral door tegenstanders wordt opgeroepen zolang de verzorgingsstaat bestaat. Het berust op een uiterst selectieve benadering van de feitelijke ontwikkelingen die zich rond de verzorgingsstaat hebben voorgedaan. Zoals ik al zei is er veel over het stelsel gezegd en geschreven, maar weinig in positieve zin. Een van de weinige uitzonderingen hierop was nota bene een Amerikaanse econoom (Galbraith), terwijl de onttakeling van de verzorgingsstaat juist door Amerikaans-georiënteerde opvattingen is ingegeven. Deze paradox is zowel exemplarisch als kenmerkend voor de gehele discussie.
 
Kunt u dit toelichten?

De opbouw van de verzorgingsstaat berustte op weloverwogen politieke keuzes die nog altijd onverminderd relevant zijn. De Nederlandse samenleving heeft bij het stelsel van welvaartsdeling en sociale zekerheid onnoemelijk veel baat gehad omdat het was gebaseerd op algehele risicospreiding onder regie van de centrale overheid. Nederland behoort tot de rijkste landen ter wereld. Men moet het niet voorstellen alsof het land armlastig zou zijn doordat er zo'n stelsel is opgebouwd. Misbruik van regelingen zal er altijd zijn. Maar dat is nog geen reden om het stelsel en haar belanghebbenden - en dat zijn in principe alle burgers - als een luxevoorziening c.q. als 'freeriders' (ofwel profiteurs) te diskwalificeren. De werkelijke oorzaken van de grote instroom in de sociale zekerheid werden niet bestreden. Men deed voornamelijk aan symptoombestrijding waarbij rechten van burgers zijn omgeslagen in 'plichten' en de burger moet opdraaien voor het gebrek aan realistische analyse van fundamentele vraagstukken. De latere financiële (banken)crisis is hiervan (voorlopig) de ontluisterende exponent, zoals ook de huidige toeslagenaffaire een debacle is dat niet 'zomaar' uit de lucht is komen vallen. Het opgebouwde stelsel was dan ook niet louter 'een verzameling sociale regelingen' waarvan naar willekeur gebruik kon worden gemaakt, maar omvatte een samenhangend bouwwerk van maatschappelijke en economische ordening. Dat wordt meestal vergeten.

Burgers zouden te afhankelijk (zijn ge)worden van de overheid en zich regelingen en voorzieningen al te makkelijk (hebben) laten aanleunen. Hoe ziet u dat?

Dat is het clichébeeld dat onrecht doet aan de redenen waarom er ooit een verzorgingsstaat werd opgebouwd. Dat had niet alleen te maken met armoede en deprivatie, maar vooral met het handen en voeten geven aan de sociale grondrechten (werk, inkomenszekerheid, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg). Overigens zijn deze grondrechten pas in 1983 in de Grondwet opgenomen. Burgers zijn daarnaast altijd afhankelijk van hun overheid. Het gaat erom dat een overheid zich betrouwbaar en consistent betoont en dat zij zich hoeder weet en in dienst stelt van het algemeen belang. Andersom is de overheid evenzeer afhankelijk van (de instemming van) de bevolking. Het gaat om een fiduciaire rechtsgemeenschap, zoals rechtsfilosofe Pessers stelt. Wanneer dit vertrouwen wordt beschaamd is er sprake van een schending van het contrat social waarop de samenleving feitelijk berust. Het uit handen geven van de regie over de publieke sector door de (centrale) overheid is derhalve een ernstige zaak die niet alleen consequenties heeft voor de publieke dienstverlening, maar ook voor dit essentiële vertrouwen.

Als het zo'n goed stelsel was zoals u betoogt, waarom is er door achtereenvolgende kabinetten met instemming van het parlement dan toch zo hard ingegrepen?

De aanval op de verzorgingsstaat - die feitelijk een breuk betekende met de naoorlogse sociaal-economische ontwikkeling en ordening - is ingegeven door het opkomend neoliberalisme gedurende de laatste decennia van de vorige eeuw. Daarmee is een beleidsagenda gevestigd die haaks staat op het verzorgingsstaatmodel. De kern hiervan is dat aanhangers van deze ideologie een (markt)samenleving naar Amerikaanse snit voorstonden en daarbij teruggrepen op uiterst conservatieve politiek-economische denkbeelden die al vòòr de Tweede Wereldoorlog opgeld deden. In feite greep men terug op het 19e-eeuwse samenlevingsmodel waarin de markt dominant was, daar er nog geen gemengde economische stelsels tot stand waren gebracht waarin men trachtte overheid en markt evenwichtig te laten samengaan. Het ingrijpen diende derhalve niet slechts een financieel-budgettair doel, maar had zeker ook een niet te miskennen politiek-ideologische component. Deze component is echter nimmer ten volle geadresseerd. Ook niet door critici van het beleid. De redenen die voor de veronderstelde noodzaak van de transformatie werden aangevoerd kwamen stelselmatig neer op ontkenning van structurele werkgelegenheidsproblematiek waarop de politiek geen antwoord heeft gehad. En nog steeds niet, gezien al het virtuele gedraai rond het 'creëren van banen'. Men ging ervan uit dat de markt 'zelfregulerend' was en dat daarmee alles min of meer 'vanzelf' wel goed zou komen. De overheid kon wel met een paar tandjes minder volstaan, zo was de leidende gedachte, zodat men overging tot grootscheepse privatisering en verzelfstandiging van de publieke sector. Men rekende zich prematuur 'rijk'. Toen de werkgelegenheid tijdens de ('booming') jaren negentig inderdaad aantrok, waren regering en parlement er dan ook als de kippen bij om deze ontwikkeling als 'succes van het poldermodel' te claimen. Net zoals de werkgelegenheid onder invloed van externe economische factoren tijdens de jaren zeventig drastisch daalde en veel bedrijven het loodje legden, zo steeg zij echter voornamelijk onder invloed van de grootschalige informatie- en dataverwerkingsrevolutie. Dat had met gevoerd sociaal-economisch beleid niet zoveel van doen.

Zijn burgers in vergelijking met vroeger werkelijk zoveel slechter af zoals u in uw boek beweert? Overdrijft u niet?

Burgers hebben het in veel opzichten ontegenzeglijk beter dan in de dagen van algehele deprivatie toen armoede immanent was. Maar men moet het niet voorstellen alsof daarmee alles is gezegd. Er zijn veel precaire ontwikkelingen die niet onderschat moeten worden, zoals arbeidsmarkt- problematiek, een eroderende middenklasse, problemen in de gezondheidszorg en schuldenproblematiek. Velen hebben moeite het hoofd boven water te houden, de sociale zekerheid is flink aangetast. Het past bestuurders dan ook niet om zich hiervan af te maken onder verwijzing naar 'eigen verantwoordelijkheden' van burgers. Dat getuigt van arrogantie en zelfvoldaanheid die juist veelal aan de basis ligt van flink wat maatschappelijk ongenoegen. De inkomensontwikkeling is ver achtergebleven bij de gestegen kosten voor levensonderhoud. De ongelijkheid is in tegenstelling tot wat wordt beweerd toegenomen. 'Kansen' voor burgers waarover hoog wordt opgegeven zijn lang zo rooskleurig niet als men het voorstelt. Sociale mobiliteit voorstellen op de wijze van de 'American Dream' houdt een façadecultuur in stand waarmee verwachtingen worden gewekt die nauwelijks kunnen worden waargemaakt. Kortom, men jaagt illusies na en houdt de burger een schijnwerkelijkheid voor die eerder vroeger dan later zal barsten. De maatschappelijke onvrede tegen onoorbare (bestuurs- en bestuurders)praktijken stapelt zich op en kan bedenkelijke vormen aannemen als men niet oppast. 

Er zijn toch ook goede ontwikkelingen te signaleren? Innovatie, start-ups, duurzaamheid ...

Zeker, maar het is niet alles goud wat er blinkt. Alle gepropageerde 'doe-vermogen' en zelfredzaamheid breekt burgers op. 'Innovatie' wordt als een deus ex machina te pas en te onpas opgevoerd als panacee voor van alles en nog wat. Zo ook de zelfredzaamheid die burgers in het gezicht wordt gesmeten alsof zij bij machte zouden zijn zich tegen processen van schaalvergroting en (financiële) machtsconcentratie te weren. Dat is op deze wijze een illusie en een fopspeen. Duurzaamheid is een aansprekend woord, maar wanneer de status quo van een marktideologische dominantie niet wordt doorbroken, zal het veelal bij retoriek blijven. Dan zal exploitatie de allesoverheersende factor blijven. Wie illusies zaait zal daarom vertwijfeling - en desillusie oogsten.

Waarom komen burgers hiertegen niet massaal in verzet denkt u?

Er is in het (recente) verleden van divers verzet sprake geweest, maar velen blijken op weg naar een 'nieuwe dageraad' de weg te zijn kwijt-geraakt, hoewel nog altijd veelbelovende vergezichten worden gepresenteerd alsof die binnen handbereik zouden liggen. Er is sprake geweest van een lange historische periode waarin 'de burger' als zodanig nog helemaal niet in beeld was. Het (klassieke) liberalisme heeft er veel aan bijgedragen om hierin verandering te brengen en de citoyen zijn rechtmatige positie te laten innemen, maar is evenals het socialisme dat de (materiële) bestaanscondities van de burger centraal stelde als ideologie danig geperverteerd geraakt. Daarenboven hebben de meeste mensen simpelweg te weinig middelen om hun vaak terechte wensen en eisen kracht bij te zetten en gerichte actie te voeren. Wanneer ook hun daartoe aangewezen belangenbehartigers zoals vakbonden het laten afweten, staan zij vrijwel met lege handen. Ook een gang naar de rechter is voor de meesten geen haalbare optie - zo die al succesvol zou kunnen zijn gezien alle juridische stroperigheid. Velen doen er daarom maar 'het (stil)zwijgen' toe, hoewel het daarentegen in tal van maatschappelijke geledingen onderhuids flink broeit.

Het gaat om niets minder dan het herstel van de verstoorde balans tussen markt en overheid, repositionering van de publieke sector en een juist onderscheid tussen dienstverlening die door de overheid ter hand dient te worden genomen, dan wel zonder problemen aan de markt kan worden overgelaten. Die balans is zoek en volledig teloor gegaan. De burger zou het eigenlijk niet meer moeten accepteren en toestaan dat er op een dergelijke wijze met zijn rechtmatige belangen wordt omgesprongen, maar het gaat hierbij vooral om de vraag hoeveel participatiemogelijkheden de burger werkelijk heeft om het proces van politieke besluitvorming effectief te kunnen beïnvloeden. In het huidige stelsel van de parlementaire democratie zijn die feitelijk minimaal. Meer dan het (electoraal) kunnen bepalen van de politieke krachtsverhoudingen zit er niet in. Op coalitievorming heeft de burger welbeschouwd niet zoveel invloed. Hij verstrekt een mandaat aan de volksvertegenwoordiging en moet vervolgens maar zien wat daarmee gebeurt. Politieke partijen zijn veelal gesloten bolwerken die door de partijleiding worden bestierd. Publieksmedia masseren de publieke opinie voortdurend in een hoofdzakelijk regeringswelgevallige richting en schieten in hun onafhankelijke informatiefunctie vaak tekort. Burgers worden naast uiterst selectieve criminaliteitsincidenten voortdurend bestookt en beziggehouden met (populistische) identiteits- en burgerschapskwesties waarbij de aandacht van sociaal-economische problematiek wordt afgeleid en een cultuur van algehele animositeit wordt bewerkstelligd, zoals diverse kritische sociologen benadrukken. Zulk een (incidenten)berichtgeving zonder samenhang die dagelijks over de burger wordt uitgestort versterkt niet alleen een algeheel gevoel van machteloosheid, maar heeft tevens verdere afkalving van de solidariteitsgedachte tot gevolg en heeft enorme invloed op de politieke cultuur van pappen en nathouden. Lobbycircuits van financieel krachtige belangengroepen (multinationals, institutionele beleggers, zorgverzekeraars, de bouwwereld, de Navo- en Schiphol-lobby enz.) zijn weliswaar machtig, maar de vakbeweging kalft hoe langer hoe verder af en op 'sociale media' wordt merendeels gebabbeld over de waan van de dag. Richtingloosheid in politieke oriëntaties is kenmerkend voor de huidige politieke constellatie. Daardoor bevindt de meer activistisch gerichte burger zich in een vacuüm te midden van een oligarchische en plutocratische maatschappijstructuur waartegen het moeilijk opboksen is. Doorbreken van deze structurele machtsongelijkheid is geen eenvoudige zaak en vereist doelgerichte eensgezindheid. De (formele) parlementaire (partijen)democratie biedt evenwel (te) weinig soelaas. Zoals ik al zei kan de burger geen concrete beleidsopdrachten verstrekken, maar via het kiezersmandaat slechts blanco cheques uitschrijven die worden aangewend om alle genomen beslissingen 'democratisch' te legitimeren die hij vervolgens zelf -letterlijk- voor zijn rekening krijgt. Dat leidt uiteindelijk tot afkalving van democratische gezindheid en niet tot de zo gewenste (politieke) participatie.

Wat beveelt u aan?

De combinatie van filosofisch deconstructivisme met de opkomst van new public management en de gedragseconomie die door het neoliberalisme is geïncorporeerd, is funest gebleken voor het openbaar bestuur. Dit heeft geleid tot een terugtredende overheid, institutionele kaalslag, uitverkoop van de publieke sector, een panopticum van (inwisselbare) gerichtheden ('ieder zijn eigen 'verhaal)', depolitisering, een reductie van de (politieke) economie tot de microsfeer en een overspannen focus op 'do-it-yourself' concepten met noties als 'capabilities'; 'empowerment' en 'creatieve destructie' die voor creativiteit en dynamiek moeten doorgaan. Dit is echter een schijn-dynamiek die de oude markteconomische koeien nog eens met een eigentijds vernisje oplapt.
Echte verandering zal pas kunnen worden bewerkstelligd wanneer burgers het niet meer bij tot 'niets verplichtende' politiek-bestuurlijke mandaatverstrekking hoeven te laten maar zij als volwaardige citoyens hun (gezamenlijke) belangen tegen alle machtsconcentratie in effectief weten te behartigen. Dan krijgt 'participatie' pas de betekenis die een waarlijk volwassen democratie betaamt.
 
In mijn werk bespreek ik een flink aantal samenhangende remedies, waarbij duidelijk wordt dat het neoliberalisme niet de oplossing, maar het probleem zelf is.Tevens dat 'oplossingen' die politici als Wilders of Baudet voorstaan niet datgene is waaraan de samenleving behoefte heeft. Hun 'analyses' gaan er weliswaar bij velen in als koek, maar daarmee gooien zij het kind (de internationaal samenwerkende rechtsstaat en de democratische rechtsorde) met het badwater (hun populistisch en nationalistisch getoonzette 'remediërende' kritiek) weg. In plaats hiervan zal het neoliberaal-technocratische tij ter wille van het behoud van de kwaliteit van de samenleving gekeerd moeten worden. Daartoe is algehele remediëring van zowel de verzorgingsstaat als uniek sociaal-economisch ordeningsmodel, alsmede herstel van rechtsstatelijke verhoudingen tussen burger, staat en overheid die op vele punten zijn geërodeerd noodzakelijk. De publieke sector die zo goed als vogelvrij is verklaard dient in volle omvang te worden hersteld en bevrijd te worden van de rigide luimen van de markt. De verzorgingsstaat is niet alleen een vangnet, maar een teken van beschaving. Het verdeelt de welvaart, spreidt risico's en biedt bestaanszekerheid aan alle burgers. Dat is geen 'luxe' die gemist kan worden of aan de markt kan worden overgelaten, maar betreft een samenlevingsordening die past bij de moderne samenleving die zichzelf en haar bevolking serieus neemt. Rechten van burgers staan hierbij centraal. Die rechten dienen door politiek en overheid voluit gerespecteerd en gegarandeerd te worden, en vooral te blijven. Dat betekent dat men niet de illusie moet koesteren dat zulks 'budgetneutraal' kan worden verwezenlijkt. Beschaving heeft een prijs zoals de economen Keynes, Galbraith en Tinbergen stelden, en kan niet 'op een koopje' zoals neoliberalen ten onrechte menen.

De transformatie van de verzorgingsstaat was in tegenstelling tot wat allerwegen wordt beweerd onnodig, onjuist en op discutabele premissen gebaseerd. Zonder de volle medewerking van christen- en sociaaldemocraten (nota bene: de founding fathers van de verzorgingsstaat) had deze evenwel niet gerealiseerd kunnen worden. De politiek heeft zich ten onrechte van links tot rechts aan het afbraakbeleid geconformeerd. Lubbers en Kok zijn weliswaar bejubeld als kampioenen van het transformatiebeleid (zoals dat ook geldt voor bewindspersonen onder Balkenende en Rutte in hun kielzog), maar hun beleid heeft meer maatschappelijke schade aangericht dan veelal wordt beseft en erkend. Met name de PvdA, het CDA en D66 – de partijen die het neoliberale VVD-beleid tot nog toe allerwegen hebben gesteund en mede mogelijk hebben gemaakt – zouden zich dienen te bezinnen op hun ideologische oriëntatie en zich kunnen afvragen welke en wier belangen zij primair willen dienen. De bewering dat men met deelname en/of steun aan neoliberale kabinetten 'erger heeft (willen) voorkomen' is een impertinente drogreden, daar zonder deze deelname überhaupt geen neoliberaal beleid gevoerd had kunnen worden.

Ik roep daarom in mijn boeken op tot een algehele herwaardering van wat ooit als 'Dutch enigma' gold en waarvan tot schade en schande op een kortzichtige wijze afstand is genomen. Wil men een dam tegen de oprukkende globalisering opwerpen, dan zal de bevolking hiertegen op zijn minst beschermd moeten worden in plaats van dat zij verder in de armen van de algeheel exploiterende wereldmarkt wordt gedreven. Die wereldmarkt zal staten en hun bevolkingen uiteindelijk volledig uit elkaar spelen wanneer zij de vrije ruimte wordt gelaten. Een waarlijk sociaal Europa met een geïntegreerde verzorgingsstaat zou een goed begin zijn. Dit is ook de richting die de eminente Duitse socioloog Hauke Brunkhorst in zijn Legitimationskrisen (2010) aanbeveelt. Hij waarschuwt, net als ik, voor toenemende legitimeringsproblematiek met betrekking tot de verantwoordelijkheden van nationale overheden ten aanzien van indamming van het kapitalisme. Wanneer dit vraagstuk niet wordt opgelost gaan nationalistische populisten hiermee onherroepelijk aan de haal en zou de democratie wel eens het loodje kunnen leggen. Waarlijk politiek burger- schap zoals o.a. Hannah Arendt uitvoerig heeft bepleit kan hiertegen een dam opwerpen en zou derhalve flink gestimuleerd moeten worden. In plaats van de burger voortdurend op de huid te zitten, zouden overheid en politiek beter de eigen zaken - en taken - op orde kunnen brengen zoals het evenwichtig bestuur betaamt. Het besef zal moeten terugkeren dat de burger er niet is voor de overheid, maar dat de overheid volledig ten dienste staat van de burger, zoals ook Tjeenk Willink in zijn hoedanigheid als vice-voorzitter van de Raad van State de politiek, politici en bestuurders consistent heeft voorgehouden. Daarmee zou al onnoemelijk veel gewonnen zijn. Maar alle politieke partijen – of zij zich nu ter linker- of ter rechterzijde bewegen – zullen zich op hun ingenomen standpunten moeten beraden. Het neoliberalisme kan pas tot staan worden gebracht wanneer neoliberale coalities tot het verleden behoren c.q. niet meer (kunnen) worden gevormd.

U blijft optimistisch. Zijn deze aanbevelingen realistisch?

Jazeker, net zo realistisch als men het wil laten zijn. Waar geen wil is, is ook geen weg. Maar met effectieve samenwerking kan veel worden bereikt. De verzorgingsstaat was daarvan een sprekend voorbeeld en zou dat met wat goede wil opnieuw kunnen zijn, mits men zich geen zand in de ogen laat strooien en bijvoorbeeld niet denkt dat met een simpele druk op de knop van de menselijke maat waarnaar momenteel omstandig, maar nogal gratuit wordt verwezen alles wel is 'rechtgezet'. Zulk een kortzichtigheid wreekt zich al veel te lang als een boosdoener die de samenleving van realistische benaderingen afhoudt, want de menselijke maat waarbij in het openbaar bestuur sprake was van een zeker evenwicht tussen overheid en burger was al gevestigd, totdat men besloot voortaan efficiency- en rendementsnormen leidend en beleidsbepalend te laten zijn. Met wat betere communicatie- en informatievoorziening komen we er niet. 'Het loket' is al veel te lang onterecht opgedoekt. De 'reset-knop' is zogezegd zoek, [-en glimlachend-] hoewel eerder behaalde resultaten in dit opzicht wel degelijk een zekere garantie voor de toekomst zouden kunnen bieden. Er is kortom veel werk te doen.  

Tot slot, U betoont zich in uw analyses nogal activistisch. Hindert U dit niet in uw streven naar objectiviteit?

Nee zeker niet. Activisme en analyse kunnen goed samengaan, mits men de feiten maar niet uit het oog verliest en men zich niet laat meeslepen door emoties. Er zijn vele voorbeelden van grondige analyses waarbij feit en fictie worden onderscheiden en waarbij wel degelijk ferme standpunten en posities worden ingenomen, zoals bijvoorbeeld observaties van Chomsky, Krugman, I.F. Stone en vele anderen. Niet benoemen van zaken en controverses uit de weg gaan moge de schijn van neutraliteit wekken, deze houding is ondeugdelijk wanneer men machtsstructuren en onrecht beoogt bloot te leggen. Dan komt men niet ver. Kritiek en scepticisme zal altijd pijnlijk blijven voor degenen die geen baat of belang hebben bij blootstelling hieraan. Wie louter vrienden wil maken kan zich beter met vrijblijvend entertainment bezighouden.

Dank u voor dit gesprek.

Postscript. Ondanks dat ik mij nu (2025) heb teruggetrokken en de redactie van onze weblogpublicaties aan anderen overlaat blijf ik als mentor en inspirator op de achtergrond aanwezig en zal ik van tijd tot tijd nog een enkele bijdrage leveren als het zo te pas komt (vdK).



 
* De Nederlands-Engelse sociaal-wetenschapper Eric van der Kooij (Rotterdam, 1952) studeerde in Delft en deed promotieonderzoek aan de Universiteit Utrecht. Hij ontwikkelde zich tot gezaghebbend expert op het gebied van de sociale zekerheidsstaat (institutional change) en de ontwikkeling van het neoliberalisme. Van zijn hand verscheen het driedelig standaardwerk Burgers op Drift (zie daar) waarin minutieus verslag wordt gedaan over het omvangrijke longitudinale en transnationale beleidsonderzoek dat naar relevante ontwikkelingen op dit gebied werd verricht. Generaties aankomende studenten in de politieke economie en rechtsfilosofie werden door hem opgeleid.
  
    © Blacklabel Publishing, januari 2021