Der
Wille zur Macht
Macht is veelal in verkeerde handen en wordt wereldwijd op grove wijze misbruikt. De consequenties hiervan ondervinden burgers en samenlevingen vrijwel dagelijks. Deze constatering leidt echter niet tot de vraag waarom sommigen denken zich boven anderen te kunnen verheffen en op ongebreidelde machtsuitoefening aanspraak te kunnen maken. Of om zich af te vragen in hoeverre de democratie uiteindelijk slechts een (schijn)middel is om keuzebeslissingen van een selecte groep te legitimeren en bestaande machtsverhoudingen te continueren. Dat is niet alleen opmerkelijk, maar ook veelzeggend. Waarom wordt macht en machtsuitoefening doorgaans zo gelaten tegemoet getreden? Het betreft hier zeker geen 'natuurverschijnsel', ondanks dat beeldspraak hier vaak gewag van maakt (de wereld als een 'jungle'; het leven als een continue strijd om posities op de 'apenrots'; de mens die de medemens een 'wolf' zou zijn; 'duiven en haviken'; 'lammeren en leeuwen', enzovoort.). De mens moge dan een willige prooi voor machtsusurpatie lijken, hij is tenslotte meer dan een lijdzaam object van willekeur. De waarde van ieder mens is onaantastbaar, staat er derhalve niet voor niets in de Duitse Grondwet als eerste artikel genoemd. De realiteit is evenwel meestal anders. Hoe dit te verklaren?
De mensheid heeft een lange weg afgelegd om zich uit knellende machtsstructuren te ontworstelen en zich te bevrijden van hiërarchische verhoudingen. Die strijd gaat terug tot de Oudheid en is met veel vallen en opstaan gepaard gegaan. Desondanks zijn we hiermee in praktische zin nog maar weinig opgeschoten zoals blijkt uit vele vormen van (rechts)ongelijkheid die nog altijd welig tieren en steeds weer opnieuw de kop op steken. Maar macht en machtsuitoefening kan alleen bestaan indien er volgzame categorieën zijn die zich zulks vanwege afhankelijkheidsposities tegen wil en dank moeten laten welgevallen. Ofwel zonder afhankelijkheid is macht een lege huls. Vandaar dat alles op alles wordt gezet om de mens er maar van te doordringen dat er 'leiders' nodig zijn om zaken in juiste banen te leiden. Nationale staten zijn op dit principe van 'wederkerigheid' gegrondvest: veiligheid in ruil voor acceptatie van staatsmacht en de aangegane verplichting tot belastingafdracht. 'Veiligheid' dient immers collectief geregeld te worden, anders is 'chaos' het gevolg. En dat moet koste wat kost worden vermeden. Leiderschap is derhalve onontkoombaar, zo lijkt het. Maar wat haalt men hiermee feitelijk in huis, zo kan men zich afvragen. Welke garanties zijn er dat posities niet worden misbruikt? Zijn Grondwetten of mensenrechtenverklaringen daartoe toereikend? Helaas niet. De sociaal-psychologische oriëntaties en (overlevings)attitudes van bevolkingen die veelal op aanpassing ('accommodatie') zijn gericht bieden te veel ruimte voor willekeur, waarvan vervolgens ook gretig 'gebruik' wordt gemaakt zoals men kan constateren. Niet alleen door machtsbeluste bewindspersonen, maar zeker ook door hun uitvoerders. Een compleet bouwwerk van bureaucratische en procedurele scherpslijperij ('finetuning') is ingericht om zaken naar gewenste ordeningsprincipes in het gareel te houden. Dat heet dan openbaar bestuur. Maar daar zulke systemen en stelsels flink corruptiegevoelig alsook danig geïnfecteerd zijn met het onzalige marketing- en managementvirus, komt er van 'good governance' vaak weinig terecht.
Bevolkingen verlenen mandaten aan boven hen gestelden, maar
zulke mandaten blijken telkens weer een 'eigen leven' te kunnen leiden alsof er
sprake zou zijn van 'onvervreemdbare', dan wel 'onaantastbare rechten'. Welnu, niemand heeft zulke rechten behalve de individuele burger zèlf.
Maar die dienen dan wel voluit te worden gerespecteerd en nagekomen. Zolang
hiervan niet, of te weinig sprake is blijven machtsverdelingsstelsels –
welke dan ook – in het geding. Mensenrechten zijn echter ondeelbaar en
ononderhandelbaar, ondanks dat daarmee vaak een loopje wordt genomen. Dat is
onacceptabel en zou rigoureus aan de kaak dienen te worden gesteld. Niemand
heeft het recht om naar willekeur te bepalen wat 'goed' is voor een ander, ook
niet onder verwijzing naar 'goede intenties'. Slechts de universeel
gelegitimeerde principes en uitgangspunten van goed (menswaardig) bestuur
dienen leidend te zijn.
Wanneer gerechtshoven zoals het Internationale Strafhof
uitspraken doen is dat niet vrijblijvend, maar verplichtend. Hierover de
schouders ophalen geeft geen pas en is een uiting van ongebreideld cynisme.
Staten en hun leiders plaatsen zich hiermee buiten de rechtsorde en verspelen
daarmee elk 'recht' waarop zij aanspraak menen te kunnen maken. Zo ook bij
schoffering van aangegane verplichtingen ten aanzien van nationaal beleid en
bestuur. Zeker als het structurele aberraties betreft. Dan verspeelt en
verliest de rechtsstaat (of wat daarvoor doorgaat) volledig haar legitimering. 'Consensus'
zoeken en bewerkstelligen lijkt een zinnig gebod, maar waar wringt de schoen?
'Harmonie' is vanzelfsprekend, noch conform de complexe politiek-maatschappelijke
werkelijkheid. Belangen en belangentegenstellingen zijn groot en immer aan de
orde. De paradox is evenwel dat slechts via (politieke) macht belangen kunnen
worden behartigd. De focus dient dan ook voortdurend op de rechtsstatelijke
kern van beleidsmatige vraagstukken te worden gericht. Daaraan dienen selectieve
deelbelangen ondergeschikt te zijn. En vooral indien zulke belangen het
volledige beleid dreigen te bepalen, zoals helaas te vaak het geval is. Daar
wringt de (analytische) schoen.
Met andere woorden het politieke discours zelve kan en
dient steeds weer opnieuw im Frage te worden gesteld. Beraadslaging vanuit een
blinde focus op het 'onaantastbaar' gewaande eigen gelijk – hoezeer dit ook
'relevant' moge worden gevonden – zal altijd met scepsis tegemoet getreden dienen
te worden. Het gaat niet louter om (de
juiste) argumenten, maar vooral ook om de praktische consequenties van
zulk 'eigen gelijk'. Ideologieën mogen bepalend zijn, zij zijn niet zaligmakend
of boven elke twijfel verheven. Zo ook hun verwoede protagonisten. Een zinnig
discours valt of staat met de wederzijdse erkenning hiervan, zonder dat men als
'pijnlijk' beschouwde zaken en kwesties uit de weg behoeft te gaan. Het louter
smijten met termen als 'links' en 'rechts' (of nog minder zeggende varianten
hiervan) leidt evenals alle stigmatisering slechts af en schiet dit doel
voorbij.
Politieke partijen en groeperingen kunnen elkaar zeker wel de
maat nemen indien men zich daarbij baseert op gerechtvaardigde en algemeen
aanvaarde principes die het algemeen belang dienen en ook als zodanig
daadwerkelijk ten uitvoer worden gebracht. Zolang het hieraan schort heeft men
wel degelijk een gerechtvaardigd belang van kritische twijfel en ook zinnige
argumenten om een en ander aan de kaak te stellen, mits men zich zelve
wat dit betreft niet evenzeer nalatig betuigt. Desnoods met 'ongewenste' of machthebbers
onwelgevallige mobilisatie en inzet van politieke tegenkrachten. Zonder
'contestatie' immers geen politiek, want 'per decreet' dient niet te worden
geregeerd en is uit den boze. Dat geldt niet alleen voor autoritaire en
dictatoriale regimes, maar zeker ook niet minder voor democratische
rechtsstaten die 'het recht' hoog in het vaandel verklaren te hebben.
Wat kan de individuele burger hiermee? Niet zo bar veel, maar
enig besef van verantwoordelijkheden en aangegane verplichtingen waarmee
bestuurders vrijelijk denken te kunnen omspringen kan zeker helpen om in
rechtsstatelijk opzicht meer gezonde verhoudingen te bewerkstelligen en deze
ook af te dwingen dan nu vaak het geval is. Dat zal niet direct leiden tot een 'heilstaat'
(en al helemaal niet in de optiek van rabiate nationalisten), maar wel het
politiek-maatschappelijk discours een stuk evenwichtiger kunnen maken.
Gebalanceerde stellingname is onontbeerlijk wil men machtsmisbruik effectief
te lijf kunnen gaan. Zonder weerwerk moge voor sommigen alles pais en vreê lijken, bij schijnvertoningen hebben samenlevingen geen enkele baat. Een
simpel voorbeeld: zolang beleidsmakers blijven menen dat met beprijzing 'gedragsverandering' kan worden bewerkstelligd blijft men achter de feiten
aanlopen. Want daarmee bereikt men slechts dat de minder vermogenden worden
gedwongen het een en ander te laten, terwijl de meer gefortuneerden de dans
ontspringen en gewoon 'hun ding' kunnen blijven doen. Van gedragsverandering is
slechts marginaal en dan nog voor het merendeel cosmetisch sprake met als
gevolg dat de actieradius van burgers alleen nog maar verder uiteenloopt. Extra
inkomsten dienen dan louter ter camouflage voor wat niet samenlevingsbreed
wordt aangepakt. Niet zo gek dat daartegen stevige weerstand bestaat. Een leuk
opgetuigde façadecultuur dient slechts de (ontregelde) status quo en de
belangen van een selectieve groep. Ontmaskering van de macht vergt een scherpe
focus, geen valse pretenties. Bureaucratische overkill bijt evenals megalomane
controledrift altijd in de eigen staart. Hoeveel 'macht' men ook denkt te
hebben. Men kan ad infinitum ach en wee blijven roepen over de vele ongewenste bewegingen
die het electoraat maakt, maar daar waar onzinnig beleid met de mantel der
liefde wordt bedekt vervalt alle recht van spreken. Het tegen beter weten in
vastklampen aan eigen posities is nimmer een lang leven beschoren. Dat zal ook
nu bij alle commotie over politieke oriëntaties weer blijken. Wie kortom 'Rutte',
'Timmermans' (dan wel 'Von der Leyen') blijft (aan)roepen zal 'Wilders' en oud
AIVD-gediende Schoof [1] krijgen.
Dat is de ongemakkelijke politieke werkelijkheid als resultante van een
voortgezette identificatie met doctrinaire beleidsverdwazing die met
aanhoudende mantra's en lamentaties niet zal worden gekeerd. Daar kunnen
nieuwsredacties en ideologen op kauwen.
En of er nu politieke 'stammenoorlogen' uitbreken of niet en in hoeverre er van toenemende volksverhuizingen sprake zal zijn, Europa ontkomt er niet aan haar positie te herdefiniëren opdat de EU niet haar gehele mandaat verspeelt en compleet door het electoraat wordt teruggefloten. Politiek is immers geen zoethoudertje, want niemand wil tenslotte aan de leiband lopen. Welke 'goede zaak' men ook moge willen dienen.
[1] De gesjeesde PvdA-er D(ick) Schoof was tijdens de kabinetten Rutte van 2013-2018 nationaal coördinator terrorismebestrijding, van 2018-2020 directeur-generaal van de AIVD en vanaf 2020 secretaris-generaal van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Een oude bekende dus van zowel Yesilgöz als de VVD en haar coalitiepartners. Wie zich afvroeg waarom de VVD zich bij de formatie zo welwillend betoonde, heeft hier een deel van de verklaring. De forse media-pr rond 'veiligheid' volgens AIVD-optiek heeft met succes haar werk gedaan. De formatiepartners mogen dan wel in hun handen wrijven, maar de burger zal nog genoeg afschrikwekkende propaganda opgelepeld krijgen en dienen te verstouwen. Was het 'alertniveau' immers tijdenlang niet onder de maat? Nu dan. Maak uw borst maar nat. De reorganisatie van de Nationale Politie waar Schoof onder toenmalig minister Opstelten medeverantwoordelijk voor was voorspelt in elk geval weinig goeds voor de nabije beleidsmatige toekomst, zoals ook het met nepaccounts volgen van activistische burgers een uiterst twijfelachtige exercitie was. Men kan de mouwen opstropen, want als dit het type bestuurders is dat voor een 'betrouwbare en integere overheid' moet gaan zorgen, dan staat de burger nog heel wat te wachten. Het ministerie van 'law and order' blonk nu niet bepaald uit in subtiliteit. Formalistisch-bureaucratische krachtpatserij die als 'politiek neutraal' wordt gepresenteerd dient met scepsis te worden bezien. Zoveel moge duidelijk zijn.
