Succes en falen
De informatievoorziening over de (pathologische) keerzijden van onze ‘succesmaatschappij’ is ronduit bedroevend. Zeker bij een gebrek aan contextuele duiding. Daardoor ontstaat er een totaal vertekend beeld, alsof alles – behoudens ‘wat armoedeverschijnselen en ontspoorde mensen’ – eigenlijk wel koek en ei zou zijn. Een grote maar onnodige makke die met meer gerichte aandacht voor GGZ en aan-verwante problematiek in evenwichtiger banen zou kunnen worden geleid.
De kerngedachte die ten grondslag ligt aan het idee dat er over het algemeen weinig reden is tot geweeklaag komt erop neer dat opleiding en baan garant staan voor voorspoed en geluk en dat mensen dit ook grotendeels zelf in de hand hebben. Bedrijven zorgen voor werkgelegenheid en zolang die niet in de wielen worden gereden komt alles goed, zo wordt verondersteld. Dit is het simpele maatschappij-beeld van de kleine burgerman die niet geplaagd wordt door een al te brede belevingshorizon en daarin door omroepen als WNL en SBS in navolging van zenders als CNN en Fox News en de financieel-economische pers niet aflatend wordt bevestigd. Voor zichzelf schrijft men succes toe aan eigen inspanning, en falen aan anderen of externe factoren. Bij de beoordeling van het succes dan wel falen van anderen wordt precies de omgekeerde redenering toegepast. Dit is de meritocratische (attributie)paradox die de kern vormt van het opportunistisch meten met twee maten met betrekking tot succes en falen, maar die men ook kan herkennen in de ambivalente wijze waarop het overheidshandelen wordt bezien. De overheid dient afstand te houden, wet- en regelgeving te beperken en de belastingen laag te houden. Dat is goed voor de economie en de bedrijvigheid, maar vereist matiging van de collectieve uitgaven (met uitzondering van die voor veiligheid, bestrijding van de criminaliteit, politie en defensie). Bij een terugvallende economie of tegenvallende bedrijfsresultaten moet men echter op de overheid kunnen terugvallen. Ook moet de overheid zorgen voor een ‘gunstig investeringsklimaat’ en adequate infrastructurele voorzieningen. De markt bepaalt kortom, de overheid is aanvullend zoals ten aanzien van susidieverstrekking ter versteviging van marktposities en het veiligstellen van werkgelegenheid. Dat is de redenering die sinds jaar en dag uiterst zelfvoldaan door (neo)liberalen tot vervelens toe wordt gebezigd. We horen al decennialang niet anders.
Maar owee als de zaken niet lopen zoals gedacht, dan moet er met allerlei kunstgrepen worden gerepareerd wat nauwelijks te repareren valt. Zo bleek de gedachte dat sociale zekerheid en gezondheidszorg ‘commodities’ (ofwel verhandelbare producten) zijn, die als het even kan prima door de samenleving zelf ‘gemanaged’ kunnen worden wanneer burgers hun aanspraken weten te matigen en het bestuur ervan de vrije hand wordt gelaten en er dan zelfs sprake kan zijn van commercieel aantrekkelijke ‘verdienmodellen’, niet zozeer het ‘succesverhaal’ waarmee de samenleving werd gepaaid, maar een politieke en beleidsmatige aberratie van de eerste orde. Het was de achterliggende gedachte bij alle privatisering en verzelfstandiging van de publieke sector en de jarenlange bezuinigingsoperaties die daarmee gepaard gingen. Wat gold voor bedrijven, gold echter niet niet voor burgers — en andersom. (Lamlendige) burgers waren de kwaaie actoren die het moesten ontgelden, daar zij als het even kon zouden ‘parasiteren’ op de gemeenschap. Bij bedrijven was zulks evenwel niet aan de orde. Dat zou hen in een ongegrond kwaad daglicht stellen. Zij hadden immers louter goede bedoelingen. Niet zozeer bedrijven stelden zich afhankelijk van de overheid op, als wel burgers die niet op een adequate wijze zelf in hun bestaan wisten te voorzien. Zij moesten worden ‘geactiveerd tot participatie’ [sic]. Daarvan waren naast liberalen en christendemocraten ook sociaaldemocraten overtuigd. Het tij bleek ondanks felle protesten en vele waarschuwingen niet te keren. De samenleving moest op straffe van economische neergang weer ‘gezond’ worden gemaakt. Tja, waar kwam die financiële crisis toch vandaan…? Had dat niet iets met greed in de bankensector te maken? Nu, dat was met flinke kapitaalinjecties wel te verhelpen, zo meende onder meer financieel specialist Wouter Bos (PvdA) en tevens vice-premier in Balkenende-IV ten tijde van deze crisis. Partijgenoot Asscher maakte het ‘participatiekarwei’ in Rutte-II af. Daarmee was de ooit onder Kok begonnen transitie en daarmee de ontmanteling van de door (neo)liberalen zo verafschuwde verzorgingsstaat een feit, zoals de kersverse Koning in 2013 bij zijn eerste Troonrede ook plechtig maar doodgemoedereerd verkondigde. 1
Er leek definitief een point of no return bereikt waar niet meer aan getornd mocht worden. Het meritocratische (markt)denken was onder het mom van efficiency en ‘common sense’ volledig geïnstitutionaliseerd en zou voortaan leidend zijn bij alle (overheids)beslissingen. Volledig in lijn met wat Kok c.s. zich dit ooit hadden voorgenomen. Men was ‘de (vermaledijde) ideologie voorbij’, zodat de ‘BV Nederland’ in alle glorie kon schitteren. Al of niet met een bewezen ‘VOC-mentaliteit’. Rutte was managing director geworden en de aandeelhouders (niet de stakeholders) telden alvast hun zegeningen. Rode lopers werden uitgelegd alsof het niet op kon. Voor buitenlandse bedrijven wel te verstaan. Tax-rulings moesten twijfelaars over de streep trekken. Nederland zou hen een welkom warm bad bieden. Rutte liep zich daarmee al vroeg warm voor de zo gretig omarmde hand-en-spandiensten die met de toebedeling van de functie van secretaris-generaal van de Navo zou worden beloond. Het parlement at uit zijn hand. Politieke ‘rimpelingen’ – al of niet in het kader van parlementaire enquêtes en onderzoeken – werden keer op keer fijntjes gladgestreken alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Ja, dat was nog eens voortvarend management… .
Maar de trein piepte en kraakte inmiddels al langer zonder dat bewindvoerders dit wilden zien of erkennen. Er werd doorgedenderd. Van achterom kijken kon geen sprake zijn. Kritiek was uit den boze. Burgers die het moeilijk hadden of in de problemen kwamen werden immers ‘naar eer en geweten’ tegemoet gekomen (zoals met ‘armoedebestrijding’ alsook compensatie en tijdelijke lastenverlichting tijdens de Coronacrisis) en zo heet als de (oppositionele) soep werd opgediend kon de realiteit immers niet zijn. Nee, men was en bleef ‘goed bezig’ en gelukkig hielden de coalitiepartijen de gelederen braaf gesloten zoals afgesproken. Hoe het verder afliep weten we. Maar de aangerichte schade is enorm. Het langdurig ontkennen van de meritocratische keerzijde breekt zich allerwegen op. Het gaat om veel meer dan een woningtekort of oplopende lasten voor levensonderhoud die de bestaanszekerheid aantasten. De gezondheid van velen staat op het spel en zeker niet alleen in lichamelijk zin. Vooral ook de geestelijke gezondheid van mensen kan ernstig worden bedreigd doordat zij langdurig aan overmatige prestatiedwangzijn blootgesteld en zich bij ‘falen’ met allerhande schuldgevoelens zien opgescheept. 2 Maar de gang naar dokter of specialist is not done, want ‘nodeloos kostenopdrijvend’. Ook tweeverdieners staan nogal eens onder hoogspanning omdat continuïteit van inkomens zeer kwetsbaar kan zijn, zoals dit feitelijk voor nagenoeg alle werknemers geldt. Niet alleen vanwege de volatiele arbeidsmarkt en daarmee samenhangende onzekere arbeidscontracten, maar ook op privégebied wanneer persoonlijke relaties even crisisgevoelig blijken te kunnen zijn als de aandelenbeurs. Men is bovenal veelal van organisatorische managementgrillen afhankelijk en dat staat in tegenstelling tot wat wordt gedacht meestal los van functie, deskundigheid, ervaring of opleiding.
‘Verantwoordelijkheid voor het eigen leven’ — die zinsnede blijkt een wereld van ellende te kunnen omvatten. Want hoe kunnen mensen de regie nemen wanneer hen daartoe de middelen ontbreken? En dan nog. Kun je individuele burgers aanrekenen dat zij persoonlijk te maken krijgen met de maatschappelijke consequenties van (falend) beleid? Dan komt het adagium feitelijk neer op een recept voor een scala aan pathologische fenomenen die niet te overzien, maar bovenal zeer ingrijpend kunnen zijn. Wie kennisneemt van de vele problemen waar mensen in den brede en van hoog tot laag mee kunnen worstelen zou zich tweemaal bedenken alvorens onbezonnen met de wolven mee te huilen en beter een toontje lager kunnen zingen. U wilde een ‘nieuw sociaal contract’? Dan zal men gezien de weerbarstigheid van het denken over staat en maatschappij van goeden huize moeten komen.
Voor een goed begrip: de mens is niet per definitie hulpbehoevend. Althans normaliter niet. Maar is wel afhankelijk van solide beleid dat stoelt op solidariteit. Al diegenen die menen hun eigen zaakjes te kunnen regelen en daarbij de overheid kunnen missen als kiespijn, zijn kortzichtig. ‘Winning’ en ‘losing’ zijn betrekkelijker begrippen dan het wordt voorgesteld. Als de mens alles in eigen hand zou hebben zouden de zaken wellicht voor sommigen makkelijk zijn, maar niemand ‘kiest’ voor een tweederangspositie. Zo zit de werkelijkheid niet in elkaar. We leven in een wereld van ongelijke kansen en mogelijkheden; van ongelijke posities, achtergronden en perspectieven. Daaraan valt veel te doen, maar niet door alle verantwoordelijkheid over de schutting te gooien, het eigen aandeel in gevolgde beleidssystematiek te ontkennen en oorzaken en gevolgen door elkaar te halen. Komt men in de politiek ooit nog bij zinnen, of blijft het bij het bestrijden van fantoompijn? U raadt het al… .
[1] "Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatie- samenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.” (Troonrede 2013, curs. redactie)
[2] Er is becijferd dat zo’n 3 miljoen mensen in Nederland psychofarmacagebruiken. Dit zijn kalmerende medicijnen die worden ingezet bij de behandeling
van psychiatrische aandoeningen en (sociaal-)psychologische problemen. De lijst bevat onder meer
angst-dempende middelen, anti-depressiva, anti-psycho- tica en slaapmiddelen.
Kids stuff
De veelal stupide kinderachtigheid waarmee het moderne leven wordt vormgegeven en geduid kent geen grenzen. Of het nu gaat om conflicthantering, vooruitgangsconcepten, menselijke dilemma’s of (collectieve) belangenbehartiging, de gedragsmatige hiërarchie van de kleuterpeelplaats lijkt het enige referentiepunt waarmee maatschappelijke verhoudingen en samenlevings-vraagstukken kunnen worden bezien en benaderd. Men is flink afgedwaald van wat ooit als nastrevenswaard werd geacht, te weten een geesteshouding die stoelt op een genuanceerd gebruik van verstandelijke vermogens. Die zijn doorgaans ver te zoeken. In plaats daarvan worden er emotionele rookgordijnen opgetrokken waarbij zulke vermogens meer als een hinderpaal dan als een welkome verworvenheid worden opgevat. We zijn de Verlichting niet ‘voorbij’, maar er klaarblijkelijk nog (lang) niet aan toe. Bij het gemis hiervan anderen de maat nemen door te verwijzen naar een gebrek aan Verlichtingsdenken is dan ook meestal een pedante gotspe. Het secularisatieproces van het denken over staat en maatschappij en de verhouding tussen individu en collectiviteit is nog lang niet voltooid, maar staat in menig opzicht nog in de kinderschoenen. Reeds ten tijde van de Verlichting zèlf concurreerden ratio en sentimenten evenwel al danig om de voorrang. De erfenis van de Romantiek is nooit ver weg, zo blijkt telkens weer. Vandaar dat een beroep op ‘onderbuikgevoelens’ (ofwel argumentum ad populum) voortdurend doel treft en (politiek dan wel beleidsmatig gezien) ‘succesvol’ is.
Het denken wordt kortom vertroebeld door een gebrek aan emotionele distantie, alsmede door slordige en gemakzuchtige hijgerigheid die voor ‘inzicht’, ‘analyse’ en ‘beschouwing’ moet doorgaan, gewaande intellectuele voortreffelijkheid en ervaringsdeskundigheid, of simpelweg door zich louter te beroepen op positionele ’exclusiviteit’. Deze laatste vorm van argumenteren verwijst naar het gebruik van drogredenen, daar de validiteit van de aangevoerde argumenten vervolgens dan kennelijk niet nader behoeft te worden aangetoond of toegelicht. 3 In talloze gebezigde opvattingen, commentaren en beschouwingen is dit schering en inslag. Het ‘verschijnsel Trump’ is slechts het topje van de ijsberg wat dit aangaat, want de huidige personaliseringscultus is doordrenkt met argumentaties ad hominem die kant noch wal raken en slechts de bedoeling hebben de ander te depersonaliseren. Inderdaad, op het infantiele en pathologische af. Zelfs kinderen trappen er niet in. Althans voor zover zij door media en games niet al zodanig zijn ontregeld dat zij – al of niet onder het mom van ‘humor’ of ‘assertiviteit’ – willoze prooien voor emotionele chantage zijn (en daar soms ook onbevangen naar hartelust aan meedoen). Jazeker het proces van debunking begint al op jonge leeftijd, want breeduit uitgevent en op talloze wijzen onder valse voorwendselen toegepast. De identificatiemodellen zijn legio. Jong geleerd is immers oud gedaan…
[3] Zie hiervoor onder meer Eemeren, F.H. van, Grootendorst, R., Snoeck Henkemans, A.F., Blair, J.A., Johnson, R.H., Krabbe, E.C.W., Plantin, Ch., Walton, D.N., Willard, Ch.A., Woods, J. & Zarefsky, D. (1996). Handboek Argumentatietheorie. Historische achtergronden en hedendaagse ontwikkelingen. Groningen: Martinus Nijhoff.
Vanity Fair
Trump’s overwinning stond ondanks het breed opgetuigde mediacircus al ruim van te voren vast. Hij is immers de president van de common man en die trekt zich van beleidsprogramma’s noch van de consequenties ervan ook maar iets aan. De Democraten hebben reeds lange tijd geen adequaat antwoord op het virulente en xenofobe nationalisme dat zowel binnen als buiten de Amerikaanse grenzen zo in opmars is. Wat dat betreft verschillen zij niet eens zoveel met vergelijkbare politieke groeperingen in Europa. Maar ondanks dat maakt het feitelijk weinig uit wie (als persoon) de president is. De VS zijn een plutocratische oligarchie en blijven dat. De macht van het (grote) geld is allesbepalend. En die blijft in handen van dezelfde groep, wie er ook in het Witte Huis zit. Wall Street, Silicon Valley en het Pentagon maken de dienst uit. Daar komt de gewone man niet aan te pas. Maar wie denkt dat de VS een sprong voorwaarts maakt zal bedrogen uitkomen. Trump vertegenwoordigt degenen die een achterhoedegevecht voeren en nagenoeg kansloos zijn tegenover de in markteconomisch opzicht bepalende industrielanden. De opgebouwde schuldenlast is immens, de binnenlandse problemen zijn huizenhoog. De VS kunnen het zich eenvoudigweg niet meer veroorloven geostrategisch zo’n hoge toon aan te slaan en het militaire apparaat blijvend miljarden te laten opslokken. Om het milieu geeft men geen zier, evenals om mensenrechten of de internationale rechtsorde. De Alleingang is allang een feit. Wat dat betekent zou elke politicus dienen te weten, namelijk dat men uiteindelijk met lege handen komt te staan. Maar Trump afficheert zich liever als clown dan zich over zulke kwesties al te druk te maken. Wat dat betreft is hij met anderen op de internationale podia in vertrouwd gezelschap. Politiek is entertainment, want de echte zaken worden elders gedaan en geregeld. Jammer voor alle kiezers die het moeten doen met een kermis der narcistische en megalomane ijdelheden.
Cruise Control
De moderne mens denkt aan de knoppen te (kunnen) zitten, maar zolang men elkaar letterlijk nog de tent uit vecht moet al dat geregisseerde gereguleer met een flinke korrel zout worden genomen. Er wordt vooral driest in het wilde weg gestuurd, maar daarbij laten de vele ‘automatische piloten des levens’ zich niet zo makkelijk de wil opleggen. De driften zijn weerbarstig, evenals de reflexen die daarmee gepaard gaan en veelal een eigen leven leiden.
Waar het op neer komt is dat bij alle levens- en wereldbeschouwing de perceptie – ofwel het ingenomen (gezichts)standpunt – allesbepalend is. Bij een gebrek aan besef van proportionaliteit en relativiteit (zowel qua tijd als ruimte) vergroot zich de imbalans tussen (basale) evolutionaire processen en het gebruik van hogere (complexe) geestesvermogens. Dat uit zich in simplisme, gebrekkig causaliteitsdenken, onbeheersbare emotionaliteit, hardleersheid en vergelijkbare tekortkomingen. Bij een solipsistische gerichtheid wordt positionering van het Zelf een uiterst minimalistische exercitie. Dan zijn het geconstateerde narcisme en de daarmee gepaard gaande zelfoverschatting nooit ver weg. Over pathologie gesproken. In menig opzicht is er sprake van endgames en marginale, want reeds verloren achterhoedegevechten. De Hopi-Indianen hadden daar een mooi woord voor: «koyaanisqatsi», hetgeen zoveel betekent als een wereld out of balance en in turmoil, ofwel een ongebalanceerde wereld van permanente onrust die hoe langer hoe meer van zichzelf en haar wortels vervreemdt. 4 Territoriale obsessies zijn, naast de allesverslindende en onverzadigbare muil van de massacultuur, de grote boosdoener. Zulk een ‘leven’ valt nauwelijks te regisseren of (bij) te sturen, maar volgt haar eigen wetten en wetmatigheden. Tot in het absurde. Of het derhalve nog wat wordt met de moderne wereld is de grote vraag. Zeker bij alle voortgaande ongerijmdheden die men nauwelijks het hoofd weet te bieden.
[4] Een en ander indringend in beeld gebracht in de gelijknamige film van Godfrey Reggio uit 1982 met mantrerende muziek van Philip Glass (zie daar).
