Onze auteur Van der Kooij heeft ter introductie een beknopte inleidende toelichting op zijn werk geschreven, opdat de potentiële lezer zich kan oriënteren op hetgeen in 'Burgers op drift' zoal aan de orde wordt gesteld en besproken. Wij stellen als uitgever deze introductie graag aan geïnteresseerden ter beschikking.      —Blacklabel Publishing

 

Een kleintje  – niet zo alledaagse – 'burgerschapskunde'  voor wereldburgers


                                                                                                                             door E. van der Kooij

In tegenstelling tot wat doorgaans wordt aangenomen, is burgerschap een zaak die allen aangaat. Niet alleen nieuwkomers. Alle ingezetenen, ofwel allen die zich in Nederland bevinden hebben volgens artikel 1 van de Grondwet immers dezelfde – ongeclausuleerde – rechten. Wat dit burgerschap betreft kan men echter de meest uiteenlopende opvattingen tegenkomen die niet zelden aan het ridicule raken. Vaak kan men uitlatingen horen als 'politici zijn zakkenvullers', of mensen omstandig horen verklaren dat vrijheid zou betekenen dat je alles kunnen doen en zeggen wat je wil, dat de klant koning is, dat iedereen die in het leven vooruit wil komen het kan maken (ofwel 'succesvol' kan zijn), dat verschillen tussen mensen (en daarmee ongelijkheid) een 'natuurlijk gegeven' is, of dat kennis macht is en dat geld (al dan niet) gelukkig maakt. 'Echte' Nederlanders zouden het liefst zo 'normaal' mogelijk met beide benen op de grond blijven staan en zich weinig (malle) fratsen laten aanleunen (tenzij in oranje-outfit). De Nederlandse identiteit zou er een zijn van zuinigheid en pas op de plaats. Wilde avonturen liggen 'de autochtoon' niet zo ('de boer' weet u wel). 'De Nederlander' is prudent en blijft het liefst bij zijn leest, zo wil het gevleugelde woord.
Zijn dit zomaar wat gratuite 'tegeltjeswijsheden', of is er meer aan de hand?

Veel van dergelijke opvattingen komen voort uit een vastklampen aan 'gegevenheden' die bij nader inzien helemaal niet zo onomstotelijk vastliggen als wel wordt gedacht. Een gebrekkige kennis van de (principes en werking) van de democratische rechtsstaat ligt hieraan nogal eens ten grondslag. Bovendien blijkt dat het leven in een samenleving met mensen van uiteenlopende culturele achtergronden en herkomst voor velen nogal problematisch is. Tenslotte moet bij de beantwoording van de vraag naar mogelijke oorzaken en verklaringen voor dit soort fenomenen onderscheid worden gemaakt tussen (formele) theorie en (materiële) praktijk, waarbij (selectieve) beeldvorming een niet onbelangrijke rol speelt. Een praktijk derhalve die in menig opzicht behoorlijk weerbarstig blijkt te kunnen zijn. Dit vereist enige verduidelijking.

Het leven in een democratische rechtsstaat

Een rechtsstaat houdt in dat burgers zich beschermd weten tegen een overheid die hen flink op de huid kan zitten wanneer daartegen geen waarborgen in acht worden genomen waarop burgers zich in rechte kunnen beroepen. Tevens dat geformuleerde rechten en vrijheden van burgers ten opzichte van elkaar worden beschermd. Het rechtsstatelijk gelijkheidsbeginsel omvat niet alleen dat burgers gelijke rechten hebben, maar dat zij in gelijke gevallen ook gelijk worden behandeld. Maar wat houden vrijheid en gelijkheid vervolgens concreet in?
In theorie lijken zulke fundamentele kwesties – overigens na een lange ontstaansgeschiedenis van (politieke) (belangen)strijd – in de rechtsstaat redelijk afdoende 'geregeld'. We hebben tenslotte een formele grondwet waaraan in principe niet zomaar getornd mag en kan worden. Maar dekt deze grondwet wel alles wat met opzij zetten, ongelijke behandeling of achterstelling van burgers te maken heeft af? Dat staat te bezien.

Burgers zijn in een democratie niet alleen afhankelijk van staat en overheid, maar vooral van degenen die in hun naam wetgevende en bestuurlijke beslissingsbevoegdheden doen gelden. Een vertegenwoordigende parlementaire democratie drijft op politici die binnen partijpolitieke kaders de electorale mandaatverstrekking ten uitvoer brengen. Wat wil dit zeggen?

Alle beleidsmatige wet- en regelgeving die tot stand komt en waaraan zowel burgers als de overheid gehouden zijn, verloopt via de volksver-tegenwoordiging. Zonder haar instemming komt in legislatief opzicht niets tot stand. Het is dus niet de minister, de premier (of de Koning wat dat betreft) die het voor het zeggen hebben en (finale) beslissingsmacht hebben, maar – uiteindelijk – burgers via hun democratisch gekozen vertegenwoordigers zèlf. Dat geldt ook voor het provinciaal en lokaal (gemeentelijk) bestuur, waarin niet de gedeputeerde, de Commissaris van de Koning, de wethouder, of de burgemeester de dienst uitmaakt, maar de via democratische verkiezingen samengestelde Provinciale Staten en Gemeenteraden.
Maar wat betekent 'democratisch' in dit verband? De angel zit in de meervoudsvormen burgers (de bevolking) en vertegenwoordigers. Het leven in een pluriforme samenleving waarin sprake is van een (grondwettelijk beschermde) veelheid aan denk- en levenswijzen biedt niet alleen veel individuele vrijheid, maar stelt ook eisen aan burgers. Een democratische gezindheid vereist zogezegd acceptatie van verschillen, maar is daarmee niet identiek aan instemming. Dat wordt nogal eens door elkaar gehaald. Vandaar dat er sprake is van een terugkerende spraakverwarring rond verschillen van mening bij het (politieke) debat, waarbij 'waarheden' nogal eens als onvoorwaardelijk worden gepresenteerd en waaraan op straffe van beschuldigingen van 'ondermijning' of 'querulantisme' (dwarsliggerij) niet getornd zou mogen worden. Zulke opvattingen zijn echter strijdig met de democratie als zodanig en miskennen het pluriforme karakter ervan. Uit een veelheid aan gezichtspunten, opvattingen en denkwijzen moeten evenwel werkbare compromissen worden gedestilleerd om de samenleving te kunnen besturen. Dit politieke besluitvormingsproces is er derhalve per definitie een van vele hobbels die moeten worden genomen alvorens (zinnige) besluiten tot stand kunnen komen. Burgers worden daarom eigenlijk nimmer 'op hun wenken bediend', ondanks dat hun vertegenwoordigers van alles en nog wat beloven om de steun van kiezers te (kunnen) krijgen. Daarmee is de democratie niet ondeugdelijk, maar moet zij wel worden gerelativeerd. Een permanente belangenstrijd betekent dat de democratie altijd 'werk in uitvoering' blijft en dat opvattingen over wat 'juiste beslissingen' zijn altijd uiteen zullen blijven lopen. Sommigen hebben evenwel meer mogelijkheden om hun belangen te (laten) behartigen dan anderen. Zo kunnen machtige lobbycircuits een onevenredig grote invloed op het beleid uitoefenen, waardoor het one man, one vote-systeem danig in de wielen wordt gereden.

Er is kortom geen onveranderlijke 'meerderheid' die de boel in een democratie bestiert of wier opvattingen zaligmakend zijn, hoewel dit overigens wel vaak zo wordt voorgesteld. Ook parlementaire meerderheden moeten – ondanks (wisselende) coalities – keer op keer tot stand worden gebracht. Anderzijds moet de impact van een leidende ideologie, ofwel een geheel van opvattingen over de gewenste inrichting van de samenleving, niet worden onderschat. Wanneer hiervan – zoals nu al enkele decennia achtereen voor wat de (neoliberale) marktideologie betreft – sprake is, dan wordt het bestrijden van opvattingen en denkbeelden een vrijwel hachelijke zaak, zoals 'de'  (overigens bont samengestelde en lang niet altijd eensgezinde) oppositie vrijwel dagelijks ondervindt.

De sociaal-economische en culturele context

Naast geformuleerde rechtsstatelijke principes is het beleid van groot belang voor de wijze waarop begrippen als vrijheid, gelijkheid worden ingevuld en vormgegeven, want 'vrijheid'  en 'gelijkheid' zijn geen absolute begrippen, net zomin als 'rechtvaardigheid' in een simpele mal kan worden geperst. Deze begrippen krijgen ruime of meer beperkende betekenis al naar gelang deze zaken volgens de leidende ideologie op een evenwichtige en consistente manier ter hand worden genomen. De politieke besluitvormingscultuur wordt kortom bepaald door ideologische gerichtheden, waardoor bepaalde ideeën en denkbeelden over wat 'rechtvaardig' en 'juist' is wel of geen ingang vinden en in beleidsbeslissingen worden omgezet. Zo kan ongelijkheid verminderen of juist toenemen en kunnen burgers meer of minder in hun wensen en belangen tegemoet worden gekomen. Ook de financiële middelen die men hiervoor al dan niet bereid is vrij te maken hangen hier (primair) mee samen.

Zijn politici derhalve 'zakkenvullers', zoals vaak wordt gezegd? En maakt het weinig uit wie er aan de macht zijn? Dit hangt samen met de mate waarin 'de politiek' en het openbaar bestuur worden vertrouwd. Al sinds lange tijd wordt gesproken over een 'kloof' tussen burger, politiek en overheid. Dit zou te wijten zijn aan een afnemende politieke gemotiveerdheid van burgers, maar de realiteit is dat juist de politiek zèlf meer en meer wordt gekenmerkt door een apolitieke gerichtheid door vraagstukken hoe langer hoe meer aan gedrag van burgers toe te schrijven. Daarin vinden politieke partijen elkaar, doordat zij in ideologisch opzicht hoe langer hoe meer naar elkaar blijken te zijn opgeschoven. De zaak is sinds de opkomst van de PVV flink naar rechts getrokken, waardoor reactionair en regressief beleid (terugkeer naar vooroorlogse markt- en nationalistisch-georiënteerde burgerschapsopvattingen) vleugels heeft gekregen. Maar ook de eerdere uit de jaren tachtig en negentig daterende crisis van links waardoor het vroegere linkse blok van PvdA en D66 grotendeels is weggevallen, heeft neoliberalen vrij spel gegeven. Dus waarom zou de burger politici vertrouwen wanneer blijkt dat de transformatie van de verzorgingsstaat desastreus heeft uitgepakt? En waarom zou de voorgenomen milieu- en energietransitie onder nagenoeg identiek bewind vervolgens dan wèl zo heilzaam zijn als wordt beweerd?

Volgens huidige markteconomische opvattingen zou de burger het enerzijds allemaal zelf in de hand hebben, terwijl het leven anderzijds zou neerkomen op 'survival of the fittest'. Dit kan echter niet tegelijkertijd - en zeker niet in eenzelfde mate - waar zijn, daar zij elkaar voor een belangrijk deel uitsluiten. Want een gevecht tussen ongelijke partijen valt per definitie in het nadeel uit van de minder machtige (en kapitaalkrachtige). Wie niet sterk is, moet slim zijn luidt vervolgens de boodschap. Maar wat moeten burgers met al hun slimheid wanneer zij geen toegang hebben tot 'loketten' en vooral wanneer die loketten blijken te zijn opgedoekt? Of anders gezegd, wanneer de overheid haar verplichtingen niet nakomt en zaken aan het 'zelf-doen' van burgers overlaat. Dat helpt zeker niet, zoals blijkt.

Als het leven geen 'American Dream' blijkt te zijn waarin voor eenieder kansen voor het grijpen liggen, Is het leven dan een tombola waarbij men louter 'geluk' heeft of niet? Dat zou men welhaast denken, ware het niet dat geluksfactoren samenhangen en in sterke mate worden bepaald door het realiteitsgehalte van de veronderstelde kansengelijkheid en dat dit realiteitsgehalte in menig opzicht te wensen overlaat. Vooral wanneer wordt gemeend dat men er met wat wilskracht wel komt en dat desnoods met wat (retorische) ondersteuning hierbij sociaal-economische ongelijkheidskwesties wel afdoende zijn geregeld, begaat men een grote vergissing. Deze ambivalentie wreekt zich op tal van terreinen zoals werkgelegenheid, inkomens- en bestaanszekerheid en gezondheidszorg. Zolang de welvaartsdeling ten gevolge van een voortdurende onderschikking van arbeid aan kapitaal structureel scheef ligt, blijft voor velen de weg uit het dal omhoog daardoor een vrijwel onbereikbare wensdroom. 

'Zelfredzaamheid' klinkt aanlokkelijk, maar onder een rigide marktideologie die mensen primair als exploiteerbare productiefactor en kostenpost wegzet en bevolkingscategorieën ten behoeve van 'rendementen' tegen elkaar uitspeelt, blijft 'geluksbeleving' zoals het wordt genoemd een gratuite, want tot niets verplichtende uitdrukking. Hoewel, je kunt met weinig gelukkig zijn, toch? Jazeker kan dat, afhankelijk van wat men onder 'weinig' verstaat. Van de wind kan men echter niet leven en zelfs de vrije lucht blijkt vervuild. Met zulke geromantiseerde en weinig realistische visies schiet niemand iets op.

Aanpassing

Voor een categorie beleidsadviseurs, opvoedkundigen en vele van hun navolgende medestanders is het simpel: waarlijk burgerschap is gewoon een kwestie van 'aanpassing'. Maar waaraan moeten burgers zich nu eigenlijk aanpassen? Aan elkaar? Aan illusoire identiteiten? Aan wishful thinking? Aan beleidsopvattingen waarover verschil van mening bestaat? Welke 'normen en waarden' bedoelt men als men het heeft over 'de Nederlandse cultuur'? De Grondwet spreekt immers niet over normen en waarden die aangehangen en nageleefd zouden moeten worden, maar heeft het uitsluitend over rechten van burgers en verplichtingen van de overheid dienaangaande. Daaraan refereren moge onder huidige beleidsopvattingen weliswaar niet bon ton zijn, met verwijzingen naar 'de Nederlandse identiteit' komt men er niet. Want indien de eigen identiteit zo problematisch is als in surveys hierover wordt gesteld, hoe moet de burger dan nog chocola maken van zulke vermaningen? Het leidt tot een potpourri aan denkbeelden over wat 'de Nederlander' zou samenbinden en waartoe hij of zij gehouden zou zijn. Inburgeraars weten wat dit betekent: sociaal wenselijke beantwoording van (vaak ridicule en infantiele) vragen waarmee het inburgeringscontract wordt afgesloten is het gevolg.

Hoe men het ook wendt of keert, burgers blijven afhankelijk van een betrouwbare en consistent handelende overheid die hen niet patroniseert, maar hen in hun belangen en rechtmatige aanspraken tegemoet komt. Burgers hebben wel degelijk macht en behoeven geenszins machteloos toe te kijken hoe er over hun belangen wordt geoordeeld en beslist, want de wet geldt voor iedereen – ook voor de overheid en het openbaar bestuur. Het is zeker niet verkeerd dat burgers in staat worden gesteld hun eigen zaken te regelen, maar dit mag nooit ter compensatie voor een falend bestuur worden aangewend. Burgers werken hard en betalen flink voor publieke dienstverlening. Dan gaat het niet aan hen de maat te nemen wanneer zij bezwaren zouden maken tegen de wijze waarop men als burger wel of niet zou 'functioneren' en hen tot gedweeë aanpassing te dwingen. Daarmee verspelen beleidsfunctionarissen het vertrouwen dat de samenleving in haar overheid stelt en is zulks een recept voor ernstig 'querulantisme' c.q. collectief afhaken dat verder reikt dan incidentele oprispingen en demonstraties van ongenoegen. Men moge menen dat alle gevaar van buiten komt, wanneer men grenzen wil slechten en cosmopolitisch gerichte 'inclusiviteit' wil bevorderen vereist dat op de eerste plaats dat men bij zinnen komt en een blik in de (maatschappelijke) spiegel werpt. Dan zal blijken dat zaken er in dit opzicht minder florissant bij staan dan wordt gesuggereerd.

Reageren? Zie onze contactpagina