Ten Oorlog

Oorlog is een raar ding. Degenen die de kastanjes uit het vuur moeten halen – en de slachtoffers van alle heldenmoed niet te vergeten – leggen het in de berichtgeving en geschiedschrijving altijd af tegen de ruim met onderscheidingen behangen bobo’s die geacht worden de afloop van een en ander te hebben bepaald. Dat is onverteerbaar voor degenen die aan den lijve hebben ervaren hoe bizar de zaken in werkelijkheid vaak verliepen.
Zoals mijn eigen vader die nota bene als Engelandvaarder en oorlogsveteraan van het Britse invasieleger tijdens WOII bij zijn terugkeer naar Nederland te verstaan werd gegeven dat hij een militaire basistraining (!) in Engeland moest volgen om zich aldaar bij het Nederlandse contingent in oprichting te voegen. Niks eerbetoon of onderscheidingen, gewoon achteraan in de rij aansluiten. ‘Soldaat van Oranje’? Alleen voor zover het in de voorgestane beeldvorming past. Soldaten on His Majesty’s Service waren blijkbaar van een andere categorie. In weerwil van wat de beeldvorming wil hebben de overlevenden vaak geluk gehad en was het verschil tussen leven en dood meestal kleiner dan wat doorgaans rond ‘heldendom’ wordt gedebiteerd.

Maar nog altijd is de beeldvorming selectief en uiterst gekleurd. 80 jaar bevrijding heeft dan ook voor de nazaten van de veteranen nogal eens een wrange betekenis die altijd weer mixed emotions oplevert. Ook al moge het bij herdenkingen steeds weer ‘Oranje’ zijn wat de klok slaat, Oranje was wrang genoeg nogal afwezig bij veel van wat de uiteindelijke loop van WOII heeft bepaald. Bij alle getamboereer op de oorlogstrom rond het Midden-Oostenconflict alsook voor wat de oorlog in de Oekraïne betreft bedenke men dat propagandistische motieven de werkelijke gang van zaken consequent overschaduwen en daardoor de beeldvorming op een onacceptabele wijze kleuren. De publieksmedia volgen deze machinerie gedwee en laten na hun kritische kanttekeningen te plaatsen, of überhaupt zaken im Frage te stellen wanneer dit niet met het officiële beleid strookt. Dat is een ernstige tekortkoming die de journalistiek valt aan te rekenen en een ander licht werpt op de veronderstelde ‘democratische waarden’ die men zegt hoog te (willen) houden. Oorlogsretoriek is een dermate eigen leven gaan leiden dat velen nauwelijks meer weten wat er nu feitelijk aan de orde is, omdat de zwart-wit (goed/fout-)schema’s zo rigide worden gehanteerd dat de opgeworpen vijandbeelden hoe langer hoe ridiculer worden en daardoor nauwelijks nog serieus te nemen zijn. Agressie, verdediging en wraakneming lopen voortdurend door elkaar heen en wisselen ook steeds van posities. Alleen al in dit opzicht is willen vasthouden aan zulke schema’s een hachelijke zaak. Laat staan het geven van antwoorden op vragen over de oorzakelijke achtergronden van de ontwikkeling en het verloop van conflicten als zodanig. Wat dit betreft worden polemologische inzichten hogelijk gemist.

Maar zolang het publiek wordt wijsgemaakt dat het louter zou gaan om steun aan de juist geachte partij, zijn we nog ver verwijderd van werkelijk begrip van al hetgeen met vrede, veiligheid en conflictbeheersing verbonden is. Zeker zolang militaire woordvoerders en chefs van staven het hoogste woord blijven voeren en zij hun conflictaanjagende toon niet weten te matigen. Want vredesinitiatieven zijn geen ‘slappe kost’, hoezeer men ook tracht zulks systematisch naar dit beeld te framen. Het internationaal recht (er)kent feitelijk maar één optie: de weg van de-escalatie. Alle gewapende strijd wordt uiteindelijk aan de onderhandelingstafel beslist. Niet op het slagveld. En dan nog. Wie denkt de tegenstander simpelweg te kunnen wegvagen beseft niet hoezeer de eigen positie daarmee altijd in de waagschaal wordt gesteld. Zeker bij de beschikbaarheid van massavernietigingswapens. ‘Schone oorlogen’ bestaan dan ook niet. Vroeger niet toen hele steden en hun bevolkingen over en weer werden platgegooid en complete generaties aan militaire ambities werden opgeofferd, en ook tegenwoordig bij alle computergestuurde drone- en raketaanslagen niet. Ook hier geldt dat technologie niet het antwoord is. Wanneer doelen en (ingezette) middelen niet sporen, blijven alle inspanningen vruchteloos. Wanneer komt men bij zinnen…? Voorlopig blijft het bij schaamteloos cynisme wat de klok slaat. De gedemonstreerde hovaardij en rücksichtlosheid zal de mens daardoor nog lang heugen. Want alles heeft een prijs. En die is hoog zolang het verstand, ofwel rede en ratio, het tegen het (goedkope) sentiment blijft afleggen. Dat is helaas niet alleen een historische constante, maar ook de tragiek des mensen.

De burger, de markt en het gewin

Sociaaldemocratisch links heeft nagelaten zich van het regressief-rechtse neoliberalisme te distanciëren en een eigenstandige positie in te nemen waardoor alle daardoor veroorzaakte problemen en vraagstukken nu op het bordje van ‘extreem-rechts’ (zoals het wordt genoemd) terechtkomen. Daardoor denken de neoliberalen zich van de consequenties van hun eigen beleid te kunnen vrijwaren en zich als ‘progressief’ – ofwel ‘sociaal consciëntieus’– te kunnen afficheren. De (verdere) ruk naar rechts komt deze partijen kortom niet slecht uit. Een wrange resultante van alles is evenwel dat het marktdenken dat aan menige onjuiste beleidsbeslissing ten grondslag heeft gelegen als zodanig niet ter discussie wordt gesteld. Liever dan dat focussen de voormalige neoliberale coalitiepartijen zich op het ‘verwerpelijke migratie en asielbeleid’ als welkome afleidingsmanoeuvre om de eigen (teloorgegane) positie op te poetsen en de indruk te wekken al zou men daarmee aan ‘de juiste kant’ van het politieke spectrum staan. Daar tuint de goegemeente – met name de parlementaire journalistiek – voortdurend met open ogen in. Maar alternatieven heeft men net zo min als de (veronderstelde) linkse partijen die de afgelopen decennia hadden. Zowel ter linker- als ter rechterzijde vindt men de dood in de pot. De maatschappelijk betrokken kiezer kan welbeschouwd nergens terecht en blijft met lege handen staan. Een flagrante vertoning van onkunde en onmacht die de politiek willens en wetens over zichzelf heeft afgeroepen. Tegen verdeel-en-heersmechanismen en de constante collectieve roofbouw die daarmee gepaard gaat is echter maar één middel opgewassen: solidariteit in den brede, en van hoog tot laag. Dat zou een ‘Wij’ betekenen dat er werkelijk toe doet en ook zoden aan de dijk zet. Niet alleen nationaal, maar gezien alle mondiale ontregeling zeker ook in internationaal opzicht. En dat is ondanks de moordende egocultuur broodnodig. Want zonder zo’n collectieve tegenmacht houden de vrije jongens vrij spel en hebben burgers het nakijken. Wat de politiek daarover ook te berde brengt en hoe 'begaan' men zich ook met de samenleving moge verklaren.

De (cumulatieve) belastingdruk moet omlaag, anders geen bestaanszekerheid voor velen. De publieke sector dient evenals de centrale overheidsregie te worden hersteld, anders geen adequate voorziening wat primaire levensbehoeften betreft. Het onverantwoorde gesmijt met vele miljarden voor weinig realistische wensdromen dient gestuit. Tal van politiek geachte ‘correctheden’ zullen van tafel moeten, zoals ook het ‘morele’ gehalte van gebezigde hypocriete opvattingen stevig onder het mes moet. De gehele politieke cultuur is dermate gecorrumpeerd geraakt dat spreken over ‘herstel van (democratisch en bestuurlijk) vertrouwen’ een gotspe is. Al degenen die zeggen de politiek serieus te willen nemen zullen ten volle hun bestuurlijke en beleidsmatige verantwoordelijkheid dienen te nemen. Het zichzelf van zulk een nalatigheid vrijpleiten door anderen voortdurend de maat te nemen is onacceptabel en creëert slechts rookgordijnen. Daaraan hebben burgers geen enkele behoefte, noch baat bij. The game is over.