Wat was, wat is - en (eventueel) nog zou (kunnen) worden.
Welkom in het tijdperk van het regressief-sentimentalistische Victorianisme
Stille Nacht…
Sommige critici zien het goed: al die Westerse arrogantie zal ons nog eens opbreken. Want zonder Rusland géén Europa of EU. Het huidige conflict dat de gemoederen zo bezighoudt gaat dan ook niet alleen om de Oekraïne, maar vooral om (de positie van) Europa. Dat gevecht wordt echter zowel over de hoofden van de Oekraïense als de Europese bevolking uitgevochten. Dat is bepaald geen naïviteit of cynisme, maar getuigt van realisme - hoe wrang dit ook moge zijn.
De VS hebben niet alleen de brokkenpiloten Bush jr. en Trump voortgebracht, maar hebben ook het verschijnsel Poetin met al zijn wapengekletter voor een belangrijk deel aan zichzelf te wijten. De beloften en perspectieven van na de Wende zijn niet waargemaakt (Gorbatsjov), maar met voeten getreden en volledig in hun tegendeel omgeslagen. Inderdaad: een verlengde Koude Oorlog en wederom – tot in het absurde en op het stompzinnige af – alle hakken in het zand. De EU is daarbij volledig richtingloos geraakt. Men wendt althans in navolging van het Verenigd Koninkrijk en de Baltische staten (eenzijdig) de steven naar de verkeerde zijde. Men laat zich ringeloren en door schimmige Navo en Pentagon-agenda's de wet - i.c. het te voeren buitenlands en defensiebeleid - voorschrijven. Wat dit betreft begaat Duitsland een historische vergissing door het pad van de ooit ingezette Ostpolitik (Brandt; Merkel) radicaal te verlaten en zich ten koste van 100 miljard te herbewapenen. Men moge menen dat de Amerikanen Europa van het fascisme hebben verlost en het nazi-regime hebben verslagen, zonder het Rode Leger zou dit alles op niets zijn uitgelopen. En ja, Stalin was een double-faced dictator zo bleek uit de annexatie van Oost-Europa en de massale deportaties van 'andersdenkenden', maar de Amerikanen hadden wel degelijk óók een dubbele agenda: zij werden niet zozeer gedreven door 'altruïsme' (zoals het zorgvuldig gecreëerde beeld wil), maar wensten vooral (West-)Europa in hun 'hemisphere' te incorporeren. Dat gevecht werd dan ook rigoureus ter hand genomen en na de Wende voortgezet. Met alle gevolgen van dien tot op de huidige dag. Wie verwijt wie nu hegemoniale belangen te koesteren en na te jagen…? Zo spruit alle milieuverdwazing van nu vooral uit Amerikaans-Canadese warhoofderij voort. Al Gore ging met zijn hypocriete ecologie-religie aan de haal met wat ooit een veel breder en doelgerichter Europees initiatief was (de Club van Rome). Maar over de inmiddels tot recordhoogten opgedreven wereldwijde economische exploitatie (van mens, habitat, grondstoffen en hulpbronnen) hoort men bij de milieudiscipelen opvallend weinig meer. 'Greed' – ofwel ongebreideld financieel (aandeelhouders)kapitalisme – daar ging het immers om en iedereen zou daarvan meeprofiteren (Rand, Hayek, Friedman c.s.). Reagan en Thatcher kregen daarvoor massaal de handen op elkaar en nog steeds blijkt dit het leidende principe. Zeker ook bij continuering van de huidige Nederlandse politieke verhoudingen.
Inmiddels is er als gevolg hiervan een casinosamenleving ontstaan waarin het obligate 'Wij' weliswaar retorisch leidend is, maar het (grijpgrage) individualisme hoogtij viert. Dit heeft geleid tot een (repressieve) staatskapitalistische ordening waarbij staat en overheid zich volledig op de markt verlaten en de burger nagenoeg volledig aan zijn lot wordt overgelaten. Niet de beloofde opwaartse sociale mobiliteit is daardoor nog langer aan de orde, maar een collectieve «Abstieg». De middenklasse is vrijwel verdwenen en opgegaan in het competitieve ('verdien')model van allen tegen allen. Depolitisering, ont-ideologisering en institutionele – waaronder rechtsstatelijke – erosie en kaalslag hebben gezorgd voor algehele destabilisatie en fragmentatie van opgebouwde samenlevingsverbanden en ordeningsprincipes.
De kern van dit alles wordt gevormd door een hardnekkig anti-etatisme dat leunt op een diepgevoeld wantrouwen tegenover de staat en miskenning van haar functies. Deze oriëntatie gaat terug tot de 19e eeuw toen de industriële ontwikkeling een grote vlucht nam en men gevoeglijk aannam dat de markt en haar productiemechanismen wel afdoende voor de bestaanscondities van bevolkingen zouden zorgen. De techniek zou immers alles beter maken, tot aan het geluk van mensen toe. Vandaar dat men zich heden ten dage nog altijd vastklampt aan technologische innovatie en financiële (winst)calculatie alsof men hiermee het panacee voor alle maatschappelijke (en ecologische) vraagstukken in handen zou hebben. De (politiek-ideologische) kernvragen waar het desondanks immer om draait zijn nog altijd dezelfde als in tijden van weleer, te weten:
(1) Gaat het ten principale om welvaart en welzijn voor allen, of slechts om materiële voorspoed voor de happy few?
(2) Biedt de democratie voldoende garanties voor welvaartsdeling en risicospreiding?
(3) In hoeverre kan een systeem van ongebreidelde over-exploitatie samengaan met noties over 'vooruitgang'?
Daar deze vragen niet zonder consequenties uit de weg kunnen worden gegaan, zullen antwoorden hierop ook niet vrijblijvend kunnen zijn. Desondanks lijkt het alsof beleidsverantwoordelijken en hun medewetgevende controleurs met wat simpele voorstellingen van zaken genoegen wensen te nemen.
Vraag 1 omvat méér dan 'ideologische
gepreoccupeerdheid' en zou een conditio sine qua non voor al het te
voeren beleid dienen te zijn. Dat gaat beduidend verder dan streven naar een
'inclusieve samenleving', zoals het tegenwoordig heet.
Het antwoord op vraag 2 is een volmondig nee indien staat en overheid zich van hun grondwettelijk aangegane functies (blijven) distantiëren en de politiek nalaat om paal en perk aan exploitatie door
de (wereld)markt te stellen.
Daarmee is ook
antwoord gegeven op vraag 3,
want het milieudebat kan niet zinnig worden gevoerd zonder de
(geofysische en biologische) ontregeling ten gevolge van de wereldwijde
industriële exploitatie van mens, grondstoffen en habitat aan de orde te
stellen, zoals de oorspronkelijke adressering door
milieuverontrusten van het eerste uur ook niet voor niets luidde lang voordat
Al Gore en zijn volgelingen hiermee aan de haal gingen. Wanneer men
zich daarentegen meent te kunnen verlaten op charitas en sentimentalistische
pseudo-solidariteit om menselijke noden te adresseren begaat men een
ernstige fout. Zulke apolitieke benaderingen brengen geen oplossingen –
laat staan vooruitgang – , maar regressie en verdere afkalving van resources.
Zowel in menselijke als ecologische zin. Het eenzijdig (en kortzichtig)
gerichte milieudebat graaft daarmee haar eigen graf.
Evenals de hypocrisie in de 19eeeuw welig tierde, zo grijpt het geborneerde cynisme van vandaag gretig om zich heen. Men geeft weliswaar voor begaan te zijn met het lot van 'minder bedeelden', maar wie maalt er om de beleidseconomische oorzaken waardoor het aantal minder bedeelden hoe langer hoe meer toeneemt? Een rijke samenleving die zich verlaat op liefdadigheid, terwijl zij ongeclausuleerde subsidiemiljarden fourneert voor de kapitaalkrachtigen zou zich kapot moeten schamen. Welkom derhalve in de New dark Age of Victorianism, waarin de vele (pennywise, maar poundfoulish) 'Scrooges' en 'Citizens Kane' het voor het zeggen hebben en de vele oproepen tot zelfreflectie niet aan hen zijn besteed, hoezeer Dickens en vele anderen ook hun best hiervoor hebben gedaan. Een slecht of getroebleerd geweten (voor zover men daarover beschikt) kan ook niet worden afgekocht. Niet met 'excuses' en niet met dollars, euro's of beprijzing met (extra) belastinggelden. Men kan zichzelf met droombeelden voor de gek houden, zich rijk willen rekenen en alle medeburgers de kapitaalmarkt willen opjagen 1, maar velen zullen er niet intuinen zolang de weldenkendheid nog niet volledig de kop is ingedrukt.
[1] Met het nieuwe pensioenstelsel dat thans (dec 2022) voorligt worden alle (ex-)werknemers gedwongen tot financiële speculatie zonder weerga. Alle opgebouwde pensioengelden (1500 miljard) moeten in het nieuwe stelsel worden 'ingevaren' [sic], ofwel spaarders krijgen te maken met een 'offer they cannot refuse'. Dat heet 'vooruitgang' en 'modernisering', maar komt neer op een ongehoorde ingreep in de sociale zekerheid van burgers. Staat en overheid betonen zich niet langer hoeders van het algemeen belang, maar verkwanselen deze op een nog brutalere wijze dan al (veel) eerder met andere sociale zekerheidsregelingen het geval was. De 'democratische legitimering' hiervoor is uiterst dubieus, daar burgers hiervoor geen expliciet mandaat hebben verstrekt en hier ook niet om hebben gevraagd. Alle draagvlak voor (collectieve) pensioen- en belastingafdracht verdampt op deze wijze. Men neemt daarmee risico's die niet te overzien zijn. Dat veel werkende mensen geen pensioen opbouwen omdat dat in bepaalde cao's niet is geregeld, wil nog niet zeggen dat daardoor het complete huidige stelsel op de schop zou moeten. Zulke tekortkomingen zijn een direct gevolg van het corporatisme waarbij het regelen van arbeidsvoorwaarden aan werkgevers en werknemers werd overgelaten. De overheid had natuurlijk een en ander best algemeen verbindend kunnen regelen, maar heeft dat stelselmatig nagelaten. Datzelfde geldt ook voor de zzp'ers te lande die wat dit betreft volledig aan hun lot zijn overgelaten.
'Kansen pakken', zo wordt de burger allerwegen voorgehouden. Maar kansen – of wat daarvoor moet doorgaan – zijn meestal alweer vervluchtigd voordat men het zich realiseert. Valse hoop en verwachting doen 'ambities' de das om en vormen een geheid recept voor teleurstelling, wrok - en meer. De mens laveert voortdurend tussen wat was, wat is en wat eventueel nog zal (kunnen) worden. Tussen verleden, heden en toekomst zogezegd. Die toekomst ziet er evenwel somberder uit dan menigeen bereid is te erkennen. Staat en overheid verwijderen en vervreemden zich razendsnel van burger en samenleving. Hier lijkt maar geen einde aan te willen komen, ondanks de vele waarschuwingen en vermaningen die steevast met eenzelfde geborneerdheid worden weggewuifd.
Het Nederlandse
polderliberalisme is gebaseerd op minutieus geregisseerde koehandel die altijd
in het voordeel van de regerende neoliberale coalitie uitvalt, maar nauwelijks –
of in het geheel niet – de werkelijke noden
en vraagstukken van de samenleving weerspiegelt of adresseert. Regeringsmacht blijkt keer op keer belangrijker dan de belangen van de burgerbevolking,
hoezeer men ook anders voorgeeft. Wanneer kritische parlementariërs
stelselmatig de mond wordt gesnoerd en zij niet de beschikking krijgen over
essentiële informatie om naar behoren hun werk te kunnen doen, dan rammelt het
hele democratische systeem en hebben burgers het nakijken. Nochtans wentelen
bewindvoerders zich wellustig in het eigen gelijk alsof er geen vuiltje aan de lucht
is en het 'management' goed bezig is. Niet zozeer de consequenties van de
beleidsdaden zijn voor hen doorslaggevend, maar de taal - ofwel het technocratisch jargon - waarin dit
alles wordt gegoten. Vooral het Woord moet worden beheerst. Zolang men
daarmee het debat en de agenda's kan blijven bepalen en naar eigen hand kan
zetten lijkt alles 'gesmeerd' te verlopen. Maar dat is schijn. Het
parlementaire ongenoegen is evenals de brede maatschappelijke onvrede méér dan
een teken aan de wand. Met wegduikend jargon als 'we zijn in
gesprek', maar 'moeten nog kijken naar'…, of: 'de kwesties zijn complex' ('we
zijn ons ervan bewust'), daardoor zullen 'lastige keuzes onvermijdelijk zijn'
(die vervolgens op de lange baan worden geschoven en/of aan 'derden' worden
overgelaten, want men 'stuurt slechts aan') enzovoort, ontslaat men zichzelf
van politieke verantwoordelijkheid en is men daarop ook niet aanspreekbaar.
Dat holt elke politieke beraadslaging en besluitvorming uit en reduceert 'overleg'
tot een farce.
Op de
achtergrond draaien vele politieke en economische 'watchers' in cirkels rond om
toch vooral maar de indruk te wekken dat 'het zo'n vaart niet loopt' en het
management in goede handen is, terwijl de ontreddering bij velen tot
recordhoogten stijgt. We kennen het continu ingezette apaiserende
fenomeen waarmee de gemoederen dienen te worden gesust maar al te goed. Voor
degenen die zich met zulk management identificeren is het dan ook geen
vraag of er juist beleid wordt gevoerd, maar vooral dat het qua beleid om een
uitgemaakte zaak zou gaan die hoogstens wat 'bijstelling' behoeft. Het
ideologische gevecht om de samenlevingsordening wordt weliswaar besmuikt en in
schaapskleren gevoerd, maar verstokte partij-ideologen lusten er intussen wel
pap van. Bij alle tentoongespreide appeasement blijven de
belangentegenstellingen immens groot en van onmiskenbaar belang. Die kan men
willen ontkennen of wegmoffelen (zoals in vele publicaties het geval is), het
zal de protagonisten van de status quo niet baten.
Polderlandse mores
Houdt het «compromis» werkelijk het (verstandige) midden tussen 'vechten' en 'vluchten' in, of lijkt dat maar zo? Een en ander hangt op de eerste plaats van het soort compromissen af die worden gesloten, alsook van de wijze waarop zij tot stand komen. Evenzo kan men zich afvragen in hoeverre er van 'redelijke alternatieven' sprake kan zijn wanneer er een loopje wordt genomen met het behartigen van alleszins gerechtvaardigde belangen. Het obligate 'polderen' waarover geregeld hoog wordt opgegeven blijkt in de praktijk vaak vlees noch vis, terwijl de aangegane procedures en trajecten veelal verwachtingen wekken die nauwelijks (kunnen) worden waargemaakt. Men laat zich hierbij points of no return inrommelen zonder dat er vaak ook maar enige substantiële gedachtewisseling over uitgangspunten en doelstellingen is gevoerd. Laat staan dat voor alle actoren duidelijk is welke vraagstukken op basis van welke analyses (dienen te) worden aangepakt. Indien men eenmaal 'akkoord' is gegaan met het aangaan van zulke dwingende package deals is er geen weg meer terug. Dan is het slikken of stikken. Vooral wanneer er aan schimmige 'overlegtafels' beslissingen met vergaande consequenties worden genomen en de volksvertegenwoordiging hieraan nauwelijks te pas komt, is er sprake van staatsrechtelijk 'vals spel'. Want alle (beleids)beslissingen die in (verplichtende) wetgeving worden omgezet dienen voluit democratisch gelegitimeerd te zijn en dat staat bij zulke werkwijzen nog maar te bezien.
Aan corporatistisch politiek 'polderland' – ofwel 'overleg in samenspraak' – kleven kortgezegd flinke bezwaren die niet zomaar met de mantel der liefde of onder verwijzing naar 'redelijkheid' kunnen worden afgedaan. Met name niet wanneer hierbij sprake is van ernstige depolitisering en ideologische verschillen onder de tafel worden geveegd. Dan resteert slechts technocratisch management en laten politici en volksvertegenwoordigers zich reduceren tot een verzameling ambtelijke ja-knikkers.
Politieke participatie, alsook parlementaire vertegenwoordiging via gekozen volksvertegenwoordigers (representatie) en representativiteit van genomen beslissingen hebben zo hun beperkingen, daar representatie naar het parlementaire stelsel binnen een indirecte democratie verwijst waarmee burgers vertegenwoordigers kiezen, die als mandatarissen in formele en materiële zin beleid namens en ten behoeve van het electoraat ontwikkelen. Representativiteit is vervolgens de mate waarin de standpunten en het beleid van gekozen vertegenwoordigers overeenkomen met wat de (diversiteit van) kiezers vindt en wenst. Die diversiteit betekent derhalve dat er nimmer volledige democratische consensus kan bestaan. 'Het Volk' bestaat slechts in formeel-theoretische zin, zodat 'volkssoevereiniteit' in democratisch en staatsrechtelijk opzicht een kwestieuze grootheid notie is. Beter is het daarom te spreken van «burgers», waarmee ieders politieke autonomie als kiezer-mandaatgevende en rechthebbende ingezetene preciezer wordt uitgedrukt. Dat er geen volledige consensus bestaat wil echter niet zeggen dat er naar willekeur met verstrekte mandaten kan worden gerommeld. Men zal – linksom of rechtsom – aan de wensen en belangen van kiezers tegemoet moeten komen wil men het vertrouwen van het electoraat niet verspelen. Dat moge nopen tot het sluiten van compromissen, compromissen evenwel waarmee men zich ten principale niet moge distantiëren van hetgeen naast particularistische (partij)beloften het dienen van het algemeen belang vereist. Wanneer aan deze eis niet wordt voldaan, is er grondig iets mis met de politieke mores en zo mogelijk ook met het stelsel van mandaatverstrekking en representatie als zodanig. Vandaar dat er niet onterecht wordt gesproken over een legitimiteitscrisis van de de democratie (Brunkhorst 2012) en sommige politieke partijen een hoe langer hoe dubieuzer rol spelen bij het kritiekloos accepteren van monistische besluitvormingsmechanismen en -tendenzen. Dat doet de politieke zaak geen goed en is beslist niet per definitie 'for the better', zoals vaak ten onrechte wordt gemeend of gesuggereerd.
Deze problematiek waarbij tevens wettelijk geregelde constitutionele toetsing onontbeerlijk is zou de nucleus van alle voorgestane democratische vernieuwing dienen te vormen, ware het niet dat uitgerekend een 'democratische vernieuwingspartij' als D66 het wat dit betreft volledig laat afweten door zich systematisch te wentelen in monistische scherpslijperij en opportunisme. Zo komt men natuurlijk geen stap verder en blijft politieke besluitvorming een rammelend geheel. Er staat desondanks veel op het spel, niet in de laatste plaats het bestaansrecht van het stelsel van politieke partijen zelve. Want bij verdergaande gestage afkalving van de vertrouwenspositie tussen kiezers en gekozenen is er geen houden meer aan en legt de democratie uiteindelijk het loodje. Het hele 'polderlandschap' moet zogezegd (letterlijk en figuurlijk) in de revisie. Dat gaat aanmerkelijk verder dan het aanharken en herbeplanten van 'de nationale achtertuin' of biologisch-correct boeren.
Burgers dienen zich vooral niet door coterieën van pseudo-intellectuelen die categorisch met zichzelf 'in gesprek' zijn de maat laten nemen en de (morele) wet laten voorschrijven. Dat betreft niet alleen de 'Baudets' van deze wereld, maar evenzeer allerhande wijsneuzen die zich in illustere debat-gremia hebben verzameld, zich daarin comfortabel verschansen en vooral elkaar bewieroken. Velen wanen zich ten onrechte 'progressief' en 'bij de tijd', daar bij nadere beschouwing veel van hun zienswijzen en benaderingen bol blijken te staan van onkunde, onbegrip en geborneerde zelfoverschatting die voor rabiate reactionaire denkbeelden nauwelijks onderdoen, ook al verpakt men deze in uiterst omfloerste bewoordingen van 'tolerantie', 'medemenselijkheid' en 'betrokkenheid'. Het is kortom vaak niet wat het lijkt, of wat zulke protagonisten van 'het vrije woord' met hun 'zorgen' ook mogen menen voor te geven. Wie de moeite neemt om het gedebiteerde nader onder de loep te nemen, moet helaas constateren dat velen zich nogal aan opportunistische window dressing schuldig maken en dat gebezigde standpunten en stellingen de toets der kritiek vaak niet kunnen doorstaan. Het trachten onwelkome kritiek weg te wuiven door deze botweg te negeren is een al te doorzichtig zwaktebod. Daarmee wordt het eigen gelijk bevestigd noch versterkt.
Wie de mond vol heeft van de teloorgang van de democratische rechtsstaat (zoals onder meer in academische kring aan de orde is), zal moeten beseffen dat men zulks niet zozeer de burger kan aanrekenen, maar dat deze ontwikkeling vooral te wijten is aan hen die het stelsel voor eigen belangen en doeleinden menen te kunnen corrumperen. Voor het bevorderen van staatsrechtelijk, economisch, historisch en psychologisch begrip en inzicht is vooraleerst samenhangende verdieping in de onderliggende materie noodzakelijk. Een niet te onderschatten opdracht voor het onderwijs dat, ondanks dat zij zich dociel tot louter toegangsloket voor de arbeidsmarkt laat reduceren, zich zo graag op 'culturele en democratische ontwikkeling' wil voorstaan, maar zonder doorwrocht aanbod schromelijk in gebreke blijft. Er is kortom veel werk aan de winkel dat niet aan een amalgaam aan 'vrije krachten' kan worden overgelaten. Nog maar eens een cursusje counseling, communicatie of marketing en (entertainment)management…?
Slavernij en mensenrechten
De regering kan zich via de bewindspersonen Kaag en Rutte c.s. omstandig en politiek-correct focussen op het leed dat talloze mensen in het kader van het slavernijverleden is aangedaan en daarvoor anderhalve eeuw na de formele afschaffing van de slavernij (in 1860-3/1873) excuses sic] willen maken zoals dat eerder ten aanzien van Indonesië aan de orde was en nu met betrekking tot de Surinaamse en Antilliaanse bevolking wederom het geval is, het zal geen genoegdoening (kunnen) betekenen. 'Schone handen' krijgt men er in elk geval niet mee, ook al lijkt het dat men 'het bezwaarde gemoed' daarmee – oppervlakkig gezien – zou kunnen dempen. De geschiedenis laat zich nu eenmaal niet terugdraaien.
Minstens even belangrijk – zo niet belangrijker – is het om het wereldwijde leed dat nog immer als gevolg van armoede, deprivatie en uitbuiting aan de orde is aan de kaak te stellen. Koloniale verhoudingen van weleer mogen dan 'officieel' tot het verleden behoren, zij bestaan nog steeds in vele soorten en maten. Kinderarbeid, miskende vrouwenrechten, mensonterende arbeidsverhoudingen, roofbouw en maatschappij-ontregelende exploitatie beheersen de wereldhandel. 'Discriminatie' is dan ook een containerbegrip dat deze zaken weliswaar kenmerkt, maar nauwelijks afdoende omvat. Men moge dan niet meer van 'slavernij' willen spreken, feit is dat slavernij – in de vorm van mensonterende afhankelijkheid en onderdrukking – nimmer is weggeweest en dat wat dit betreft goede sier willen maken geen pas geeft (en zelfs als beledigend kan worden ervaren). Dat alles trachten weg te wuiven onder het mom van 'mensenrechten' (die weliswaar geëerbiedigd zouden dienen te worden, maar even zo makkelijk terzijde worden geschoven als het even 'niet uitkomt') is ronduit hypocriet. Niet verwonderlijk derhalve dat velen met gemengde gevoelens naar het 'Gutmachungscircus' kijken, er het hunne van denken en/of hun schouders erover ophalen. Wie zich wèrkelijk om mensen en menselijkheid bekommert handelt dienovereenkomstig en laat het niet bij woorden. Hier, nu en in de toekomst. Dan trekt men 'lessen' die ertoe doen. Maar dat betekent óók dat men zich rekenschap geeft van hetgeen men in dit opzicht in het zeer recente verleden heeft laten lopen, of erger — stelselmatig om zeep heeft geholpen zoals sociale zekerheidsrechten en bestaanszekerheid van velen. Dat laatste blijft men evenwel hardnekkig ontkennen alsof zulks 'niet aan de orde' zou zijn, maar wie de moeite neemt om zich inzicht in deze materie te verschaffen kan niet anders dan concluderen dat het hier nochtans een topje van de ijsberg betreft.
De wijze waarop samenlevingen worden bestierd waarbij het rigide grootkapitaal alle denkbare ruimte krijgt en complete burgerbevolkingen aan zulke belangen ondergeschikt worden gemaakt, reikt verder dan statistische rekenmodellen voorgeven. Nog altijd is de werkende, alsook belastingbetalende burger de melkkoe die zich in vele opzichten paternalistisch-patroniserende behandelingen moet laten welgevallen en derhalve het kind van de (winst)rekening is. Dat mag dan geen 'slavernij' heten, mensen worden wel degelijk op nietsontziende wijze gemaltraiteerd en (letterlijk) weggezet als het zo te pas komt. 'Reorganiserende' kostenbesparing, (dreigende) ontslaggolven en schaamteloze winstmaximalisatie houden afhankelijkheidsmechanismen in stand waartegen belanghebbenden nauwelijks een (afdoende) vuist kunnen maken. Loonslaven zijn er daarom – evenals daklozen en (rechteloze) vluchtelingen – in groten getale. Wie over 'huis en haard' beschikt mag zich kortom best wel eens afvragen in hoeverre een en ander ten koste gaat van anderen en of men zich werkelijk wel in alle opzichten zo 'comfortabel' kan betuigen als men zich waant. 'Overvloed en onbehagen' blijven hoe dan ook keerzijden van dezelfde medaille. Zeker bij een voortgaande onderschikking van arbeid aan kapitaal die ten koste gaat van bestaanscondities en menselijk welbevinden.
Wanneer men de schuldvraag aan de orde wil stellen, dan zal beseft moet worden dat schuld moet worden vastgesteld dan wel moet kunnen worden toegerekend. Maar hoezeer de toenmalige Republiek der Verenigde Nederlanden zich namens en in opdracht van de regenten in de Staten ook op grote schaal schuldig maakte aan onmenselijke praktijken en misstanden heeft begaan, dat wil nog niet zeggen dat burgers daarmee hebben ingestemd — als zij van zulke praktijken al op de hoogte waren. Bovendien was de Republiek (alsook het Koninkrijk tot 1848) geen democratie. Dus om nu hoog te paard over 'collectieve schuld' te spreken is wel erg kort door de bocht. Ondanks dat de Nederlandse samenleving overigens niet zozeer wordt gekenmerkt door een schaamte- als wel door een schuldcultuur, is de schaamteloosheid waarmee naar het verleden wordt gekeken een opvallend fenomeen. Schuld betuigen zonder schaamte — wat zijn zulke exercities eigenlijk waard?
Slavernij
en slavenhandel waren gedurende lange tijd een uiterst lucratief 'verdienmodel'
voor Westeuropese zeevarende naties zoals de Republiek, alsook Engeland, Spanje-Portugal
en Frankrijk. Op de Amerikaanse katoen- en tabaksplantages kon men er overigens ook wat van. Dus wat nu 'excuses'… Wie spreekt hier namens wie? Zijn burgers collectief
verantwoordelijk voor hetgeen beleidsmatig in hun naam wordt beslist en
uitgevoerd, ook al hebben zij hieraan part nog deel? Als dat zo zou zijn dan
zijn er nog wel wat zaken te noemen die nu niet bepaald brandschoon zijn, maar
die bevolkingen beslist niet (persoonlijk) kunnen worden aangerekend. Wel zo
makkelijk om zich hierachter te verschuilen en het verleden met terugwerkende
kracht op hun dak te schuiven. De waarheid blijft pijnlijk, niet alleen voor de
getroffenen maar ook voor degenen die hiervoor wél verantwoordelijk zijn
geweest. Om een en ander juist te positioneren is het van belang te bedenken
dat denken in duistere categorieën van (culturele) boven- en onderschikking gedurende eeuwen 'bon ton' was en dat deze antropologische erfenis van superioriteit en inferioriteit nog lang
naijlt. Velen betoonden zich wat dit betreft racistisch, of lieten zich zulke opvattingen (bij
gebrek aan beter-weten) aanleunen. Daarover echter geen woord. Multatuli liep
niet voor niets tegen een muur van onbegrip aan toen hij deze zaken aan de orde
stelde, ook al besloot de toenmalige regering tot het voeren van een zogenaamde
'ethische politiek' (1901) die de onmenselijke verhoudingen in Indië 'recht' zou zetten. Daarvan kwam echter niets terecht, want de vele schatkisten moesten gevuld blijven zodat de koloniale markt voor ondernemers nog verder werd opengegooid nadat in 1870 het staatsgeleide cultuurstelsel was afgeschaft, de Nederlandse Handelmaatschappij (NHM) het monopolie op de koloniale handel en exploitatie verloor en startende concerns zoals Shell olie- en andere exploitatiemogelijkheden ter hand konden nemen. Het met het van staatswege bepleite perspectief van 'verzelfstandiging' ontpopte zich onder 'morele' voorwendselen uiteindelijk als een excuus om de onafhankelijkheid ('nog') niet toe te ('kunnen') staan en de lucratieve Indische inkomstenbron niet te verliezen, maar onverkort voort te zetten. Bewindvoerders bekommerden zich nu eenmaal
niet of nauwelijks om het wel en wee van de 'inlander' zolang zij maar braaf de
bevelen opvolgden die hun werden toegebeten en zij (goedkope) arbeid bleven
verrichten. Op straffe van poenale sancties werden de vele contractarbeiders ('koelies') gedwongen zich de veelal mensonterende arbeidscontracten ('wurgcontracten') te laten welgevallen. Deze systematiek werd voortgezet tot aan de Indonesische onafhankelijkheid. Is het nu - mondiaal gezien - werkelijk zo anders in dit opzicht, ook al zijn lijfstraffen over het algemeen dan niet meer (zo direct) aan de orde?
Al met al een goedkope vertoning van vrijblijvende gemakzucht die tot niets verplicht. Behalve dan dat degenen die nu de mond vol hebben van 'schuld' zich wel twee keer hadden moeten bedenken alvorens te menen met opgestoken veren goede sier te kunnen maken. Dat de Caribische bevolking er evenals de Indische gemeenschap niet zo makkelijk intuint is dan ook méér dan begrijpelijk. Mensenrechten zijn blijkbaar - evenals emissierechten - handelswaar, waarmee net zo grillig wordt omgesprongen als de geglobaliseerde wereldmarkt zich zelve betuigt. Ondanks al het (meer of minder succesvol) verzet kan tegenover de barbarij uiteindelijk slechts een zekere elegantie, gratie, wellevendheid en eenvoud (ofwel subtiliteit) van geest worden geplaatst om tegen zulke dwalingen en kwellingen (enig) soelaas te kunnen bieden. Méér heeft de mens welbeschouwd niet tot zijn beschikking. Dat is de matiging die zozeer wordt gemist en uitstijgt boven alle hovaardige morele scherpslijperij die men meent te moeten demonstreren, maar van zulk een geesteshouding mijlenver afstaat.
Sursum Corda
Er blijkt systematisch heel wat eenzijdige publicitaire overkill van fanatieke Cingendael en Neyenrode-adepten en hun (media-)kompanen over de hoofden van het goedgelovige publiek te worden uitgestort. Daarmee zou men vervolgens bij het ontbreken van substantieel tegenwicht genoegen moeten nemen, ware het niet dat gebezigde 'waarheden' zo broos zijn als zij zich propagandistisch betuigen. Wie beter kijkt, kan waarnemen dat de economische en geopolitieke ordening die veelal als 'self-evident' wordt gesuggereerd op drijfzand is gebaseerd en dat zulk drijfzand diepe wortels heeft. De voorgestelde 'dynamiek' der ontwikkelingen blijkt vooral een teruggrijpen op denkbeelden die door de huidige oligarchische constellatie van als 'redelijk' en 'rationeel' beschouwde ordeningsprincipes worden gelogenstraft. Zo ook de wijze waarop conflicten worden bezien en tegemoet getreden, alsmede het 'tegenwicht' dat bevolkingen (met hun 'gedrag') daartegen zouden kunnen (en dienen te) bieden. Een paradoxaal individualisme ter compensatie voor het gebrek aan (juist) collectief besef kan daartoe echter nimmer een panacee zijn.
'Alleen op de wereld' — zijn wij dat welbeschouwd niet allen? En zou deze Grundexistenz niet aan de basis van alle medemenselijkheid moeten liggen in plaats van een 'Wij' te suggereren die illusoir is (en bovendien in praktisch opzicht stelselmatig met voeten wordt getreden)? Zonder erkenning van dit existentiële gegeven blijven de vele verwijzingen naar 'harmonieuze' (corporatistische) gehelen hopeloos gratuit en nietszeggend. Daarmee krijgen ook noties als 'patriottisme', 'nationalisme' en (culturele dan wel economische) 'autonomie' een geheel andere betekenis dan doorgaans wordt gesuggereerd. De mens blijft hoe dan ook voornamelijk op zichzelf aangewezen, for better and worse en alle goedbedoelde charitas alsook zelfopoffering ten spijt. Samenlevingen kunnen nu eenmaal niet op basis van liefdadigheid draaiend worden gehouden en doen dat dan ook niet. Dat is een middeleeuws (feodaal) concept dat allang door de tijd is ingehaald. Staten en samenlevingen krijgen vorm door institutionele ordening die de gehele bevolking omvat en niet slechts enkelen ten goede komt of at random – naar willekeur – mensen 'beneficieert'. Dat is terug naar 'af', ofwel regressie, en miskent alle vooruitgang wat dit betreft. Wanneer die vormgeving erodeert zullen velen daaronder lijden, welke 'rendementen' daarmee ook voor het moment lijken te worden behaald.
Wanneer het hart kil en onaangedaan blijft kan het hoofd nog zoveel sier trachten te maken, het zal de mens niet baten. Maar ook met sentimentalisme komt men er niet. Dan slaan zowel hart als hoofd op hol en zijn we nog verder van huis. Jazeker, tijd voor matiging, in veel opzichten. Het hoofd omhoog en de rug recht. Geen valse bescheidenheid meer.
Voor dit moment derhalve: donnez-moi une viole, que nous ferons faire de la musique feutrée qui illumine et calme les esprits troublés
[Geef mij een viola da gamba, opdat wij verstilde muziek ten gehore brengen die oplicht en het bezwaarde gemoed tot rust brengt].
- zie vervolg bij januari 2023 e.v. -
