Burgerlijkheid

Wij zijn allen burgers. Maar zijn wij daarmee tegelijk veroordeeld tot burgerlijkheid? Bij nadere beschouwing blijken staten, volkeren en culturen uiteenlopende maten van burgerlijkheid te kunnen vertonen. De vraag is dan wat burgerlijkheid inhoudt en vervolgens hoe zulke verschillen zijn te verklaren.

Nederland wordt, samen met onder meer Duitsland, wel gekenschetst als een in-en-in-burgerlijke samenleving. Burgerlijkheid kan gezien worden als het naar binnen gekeerde residu van wat oorspronkelijk een emancipatoir-revolutionaire gerichte ontwikkeling betrof. Burgerlijkheid is evenwel een breed begrip en omvat vele aspecten die ver boven kwesties van (goede) smaak en persoonlijke preferenties uitgaan. Aspecten die verbonden zijn met (noties over) vrijheid, vrije wil, keuzevrijheid en identiteit, maar ook met lotsbestemming (c.q. een mate van predispositie). Burgerlijkheid omvat tevens een zekere opportunistische gerichtheid. (‘Go with the flow’ anders gezegd, om maar niet ‘uit de toon’ te vallen).
Volgzame aanpassing lijkt de kern te zijn. Aanpassing evenwel aan de grootste gemene deler, dan wel aan datgene wat als ‘de norm’ – ofwel als ‘normaal’ – wordt beschouwd. Maar wie bepaalt dat en door wie worden welke normen gehanteerd en/of aangeprezen? Samenlevingen noch culturen zijn monolitisch, maar kenmerken zich per definitie door diversiteit. Desondanks kan er sprake zijn van een dwingende ‘moraal’ die zulke basale diversiteit ontkent, dan wel wegwuift of teniet doet. Er is altijd sprake van een dominante moraal tegenover (al dan niet onwelkome) ‘subculturen’ en ‘afwijkende’ (deviante) gerichtheden. ‘Avant gardes’ tooien zich echter graag met het idee daarmee boven de grijze massa uit te stijgen. Of dit nu terecht is of niet. Nieuwe culturele elites komen en gaan.
Dat alles blijkt plaats-, tijd- en contextgebonden. De heersende preoccupaties ten aanzien van datgene wat ‘en vogue’ is blijkt doorgaans bepalend voor de (culturele) gerichtheden. Ofwel de culturele mores en maatschappelijke context van de tijd waarin men leeft. Zoals bijvoorbeeld tijdens de 2e helft van de 19eeeuw waarin het burgerlijk beschavingsideaal, ofwel de burgerlijke Victoriaanse (middenklasse-) moraal van law abiding en godvrezende citizens met bijbehorende ‘burgerlijke deugden’ (arbeidsethos, spaarzaamheid, matigheid) opgeld deed en centraal werd gesteld. Dit alles evenwel tegen een achtergrond van  diepe armoede en ongelijkheid (deprivatie). Moraal derhalve als een ‘luxe-optie. 1  Sociale kritiek (van Dickens tot Marx) kon niet uitblijven. Het socialisme werd in de steigers gezet om als politieke beweging gedurende het verloop van de 19e en 20e eeuw internationaal een geduchte politieke tegenmacht tegen exploitatie, uitbuiting en ongelijkheid te vormen en samenlevingen een menswaardiger gezicht te geven. Totdat men meende een Faustiaans pact met de markt te moeten sluiten. Dat heeft men geweten. De zaak corrumpeerde in snel tempo en de afbraak van wat men had opgebouwd viel niet te stuiten. Conservatief markteconomisch liberalisme kreeg meer vleugels dan het ooit had gehad en reactionair politiek rechts werd hoe langer hoe brutaler. Alle dempende macht was weggevallen. Evenwel zonder dat men deze causaliteit wil(de) erkennen.

Ofschoon een allesomvattende definitie moeilijk te geven lijkt te zijn, is burgerlijkheid gaandeweg meer en meer verbonden geraakt met benepen conservatisme, alhoewel er zoals gezegd eerder ook sprake kon zijn van een maatschappelijke voorhoede. Zo schoten — vooral tijdens de ('Gouden') 17e  eeuw — in korte tijd rijk geworden kooplieden wegens handelssuccessen als een speer in de samenleving omhoog. Zij manifesteerden zich als de nieuwe regenten, verdeelden onderling bestuursfuncties en betoonden zich als oligarchische burgerlijke handelselite op bestuurlijk en economisch gebied geduchte concurrenten van de traditionele landadel wier royale levensstijl zij ook graag kopieerden. 2 Desondanks ontpopten regenten in de daaropvolgende 18e eeuw zich veelal als een conservatief-reactionaire coterie. Zij leunden achterover en bleven zich ondanks de economische teruggang van die periode rijk rekenen, totdat het morrende volk er genoeg van had. De 'derde stand' roerde zich als categorie en revolutionair fenomeen en kwam in het geweer tegen het voortbestaan van feodale structuren en verhoudingen. De onvrede over bestuurlijke inertie, het uitblijven van democratische rechten en als onredelijk beschouwde belastinginning ontvlamde in belastingoproer dat uiteindelijk culmineerde in de Patriottenopstand van de achttiende-eeuwse jaren tachtig en negentig.
Verlichting als Romantiek kunnen derhalve gezien worden als verschillend gerichte loten aan dezelfde burgerlijke emancipatie-stam. Verlichting en Revolutie brachten ons niet alleen de constitutionele vrijheden, maar tevens de puriteinse dubbelmoraal van de brave Victoriaanse burgerlijkheid. Industriële en sociaal-culturele massificatie tenslotte, dwingt de burger uiteindelijk in een uniform keurslijf waarin de rede meer en meer het karakter krijgt van een manifestatie van individuele gevoelens, gedragingen en handelwijzen volgens collectief omarmde (economische) normen. Deze redelijkheidsopvatting lijkt hoe langer hoe meer als exclusief criterium voor volwaardig en volledig mens-zijn te gelden en ook als zodanig te worden gehanteerd. Bij alle met de mond beleden nagestreefde idealen spoorden theoretische doelen en praktische middelen lang niet altijd, en zo is het ook heden ten dage.

Wanneer we ons buigen over mogelijke verklaringen voor zulke volgzame aanpassing, dan dringen vooral socialisatie (opvoeding en vorming), sociale stratificatie en sociale mobiliteitsmechanismen (rangen- en standenhiërarchie) zich op. De vraag is waarmee en met wie men zich identificeert en tot welke attitudes dit leidt.  ‘Keeping up appearances’ (dan wel ‘keeping up with the Joneses’) is bij lange na niet voorbehouden aan de Engelsen of Amerikanen, maar blijkt een kenmerkend sociaal psychologisch fenomeen (conformisme, desnoods tegen wil en dank). Hierbij doet zich het paradoxale fenomeen voor dat er enerzijds sprake is van een atomaire (hyper-individualistische) samenleving, maar tegelijkertijd tevens van nogal wat collectivistische dwang (al of niet gepaard gaande met repressie).
Daarentegen bestaat er ook burgerlijke ongehoorzaamheid vanuit doelgerichte politieke oriëntaties en beweegredenen, zoals er ook geregeld naar een ‘silent moral majority’ verwezen wordt die een (kleinburgerlijke) materialistische consumptiecultuur paart aan het streven naar almaar 'méér, groter, beter en sterker'. De Provo-beweging van de jaren ’60 verzette zich op ludieke wijze tegen de burgerlijkheid van het brave klootjesvolk en wees de regenteske wijze van besturen radicaal af. De burgerlijk-conservatieve wortels zaten echter te diep in de samenleving waardoor een (verdere) ruk naar rechts niet kon uitblijven. De neoliberale Welle liet daarna niet lang op zich wachten en kreeg de gehele maatschappij in haar greep. Inclusief degenen die zich de intellectuele voorhoede hadden gewaand. Men bezweek collectief voor de verlokkingen van markt en profijt en stortte zich op marketing en management alsof het leven ervan afhing. Dat wreekt zich allerwegen tot op de huidige dag. Daarmee is men dodelijk verzeild geraakt in een maatschappelijke constellatie die niet zozeer het vrijdenkende republikanisme als wel het nationalistische en markteconomische sentiment beroert en exploiteert. Tot aan een opgeklopte oorlogsstemming toe. Maar een ware burger verheft zijn stem en laat zich niet alles lijdzaam of inert welgevallen. 3  Dat blijft de (historische) opdracht voor wie werkelijk vooruit wil. Dit vergt echter het nemen van afstand van al hetgeen de bestuurlijke goegemeente zich als ‘vooruitgang’ meent voor te houden, alsook een nonconformistische attitude ten aanzien van alles wat voor ‘zinnig’ of ‘onontkoombaar’ heet door te gaan. Veel is terug te voeren op keuzebeslissingen die weliswaar ‘uit naam van de bevolking’ zijn genomen, maar meestal slechts deelbelangen dienden. Maar daarvoor is de democratie bedoeld noch ingesteld. De politieke portee van een zuivere, ofwel niet-gecorrumpeerde democratische gesteldheid zal dienen terug te keren, dan wel centraal te worden gesteld. Zo niet, dan zal de democratie haar eigen kinderen opvreten zoals het revolutionaire elan dat in het verleden ook meermalen heeft gedaan. Dromen zijn vaker bedrog gebleken dan men lief is.

Dat zou een wijze les kunnen zijn die men ter harte zou kunnen nemen, ware het niet dat het benodigde cultureel en historisch besef hiertoe veelal ontoereikend blijft doordat de waan van de dag dit alles op een verstikkende manier blijft overschaduwen. ‘De Ware Vrijheid’ – ja, dat was ooit het adagium waarmee sommigen dapper hun nek uitstaken en in het krijt traden, maar die hun goede bedoelingen uiteindelijk toch veelal in rook zagen opgaan. «Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid» was er ook zo een. De ondergeschiktheid is echter gebleven. Al was het ‘alleen maar’ gezien de hardnekkige hiërarchische gelaagdheid van samenlevingen die voor ‘egalitair’ heten door te gaan.
Vrijheid en gelijkheid zitten elkaar kortom voortdurend in de weg en waardoor het een lastig te combineren begrippenpaar blijft. Wie vrijheid wil zal een zekere mate van ongelijkheid dienen te accepteren; wie gelijkheid nastreeft zal moeten beseffen dat dit ten koste van persoonlijke vrijheid kan gaan. Zeker indien een en ander tot onwerkbare proporties wordt opgeblazen. De totalitaire verleiding ligt immers altijd op de loer. Dat is het ideologische dilemma dat de mens al zolang parten speelt en naar welke balans al even zolang wordt gezocht (dan wel naar wordt uitgekeken). Helaas hebben vele moderne gelukszoekers hier geen boodschap aan. Jammer voor hen en vooral voor degenen die daardoor het geluk wordt onthouden of ontnomen.

Daar kan men even op kauwen…


[1] "De burgerlijke levenswijze [was] aanvankelijk kenmerkend voor een kleine vooruitstrevende bovenlaag van de bevolking en diende [ter] legitimatie en begrenzing van de eigen sociale status en identiteit tegenover de lagere klassen en de aristocratie. In de loop van de 19e eeuw werd deze burgerlijke levenswijze waarin een gelukkig familieleven, fatsoenlijkheid en hard werken centraal stonden [...] steeds meer een cultureel verdedigingsmiddel." (Hijstek, B. Tussen droom en werkelijkheid. Vrouwenemancipatie in Duitsland voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, 1989). "English society was poised on a double paradox which its critics, within and without, called hypocrisy. Its practical ideals were at odds with its religious professions, and its religious belief was at issue with its intelligence. ... the ground-tone was given by the growth of population, the result of many combining tendencies, humanitarian and scientific, which since the middle of the eighteenth century had operated with ever-increasing force" (Young, G.M. Victorian England, Portrait of an Age, 1960: 16, 19-20)[1936] 

[2] Omdat de Noordelijke Nederlanden zich al vroeg tot een zeevarende handelsnatie ontwikkelden en er een dienovereenkomstige burgerlijk-stedelijke cultuur ontstond, kregen handelskapitalisme en een geldeconomie alle ruimte. Daarin vormden kooplieden- en regentenfamilies de oligarchische bovenlaag. Zo kunnen we vanaf het eind van de 16e eeuw spreken over een 'patricische republiek', waarin de belangen van de (republikeinse) handelselite meer en meer op de voorgrond traden ten koste van de - toch al niet zo sterke - machtspositie van de adel. Zoals de voorstanders van het huidige beleid zich graag met een koopmansgeest identificeren waarbij zuinigheid met betrekking tot de overheidsuitgaven een deugd is en overheidsinterventie en -regie per definitie wordt gewantrouwd, zo maakte de VOC reeds dankbaar gebruik van de (ongekende en ongeëvenaarde) bevoegdheden die de Staten haar verschaften. De volgens de calvinistische zedelijkheidsleer voorgestane zuinigheid belette financiële entrepreneurs daarentegen echter niet om een aandelenhandel op poten te zetten die zijn weerga in de toenmalige wereld niet kende.
Opmerkelijk hierbij is dat wat die oligarchische structuur betreft er een continue lijn loopt naar het heden. De huidige Nederlandse maatschappij mag dan een (parlementaire) democratie zijn, in de praktijk trekken nog altijd invloedrijke ondernemersfamilies en bestuurscircuits economisch (en politiek) stevig aan de touwtjes.

[3] Benjamin Constant onderscheidde twee soorten burgerschap: een klassiek-actief burgerschap tijdens de patriottentijd, dat politiserend-revolutionair was, de volkssoevereiniteit centraal stelde en een nadruk legde op de publieke sfeer (Thorbecke (dis)kwalificeerde dit later als: 'de volkswil van het ogenblik'), en een modern-consumptief burgerschap, met een sterke nadruk op burgerlijke rechten en vrijheden (vooral in de private sfeer), zoals die in Nederland na 1848 grondwettelijk werden vastgelegd. Hier zien we al dat rechten een zekere 'passieve' connotatie krijgen, zoals dat in het hedendaags discours meer en meer het geval is. Constants onderscheid hield volgens Van Sas overigens een waarschuwing in 'om niet te vervallen in de uitersten van enerzijds overpolitisering (zoals de revolutie die had laten zien) en anderzijds, in reactie daarop, over-privatisering: een burgerschap dat zich volledig in de private sfeer terugtrekt' (Van Sas, N. Metamorfose van Nederland. Van oude orde naar moderniteit, 1750-1900, 2004: 28) 


Epiloog: Sounds of an era

De jaren ’60-periode waarin de post-war generatie opgroeide is wel bezongen als ‘a time of innocence’. Maar was men toen werkelijk wel zo goedgelovig en naief als sommigen denken en in hoeverre heeft de toenmalige ‘onschuld’ nu plaatsgemaakt voor bewustzijn? Bij alle huidige borstklopperij is er nog altijd sprake van menselijk leed en vernietigend wapengekletter, terwijl de kritiek erop nagenoeg is verstomd. « August, die she must; the autumn winds blow chilly and cold » zongen Simon & Garfunkel op hun met goud bekroonde sound-tracks. 4 Maar de hoopvolle tijd van weleer wierp haar schaduw lang vooruit nog voordat de bezongen idealen tot volle wasdom hadden kunnen komen. Creatie en vernietiging gingen toen ook al hand in hand. 5 Pareltjes van op toon gezette maatschappijkritische teksten bleken alras een zwanenzang van een voltallige generatie. De ‘innocence’ was van korte duur daar de werkelijkheid geen dromers en al helemaal geen hemelbestormers verdroeg, of men nu uit ‘sterrenstof’ bestond of niet. D66 mocht dan in datzelfde sleuteljaar zijn opgericht, de beloften van een vitale democratie verzandden al snel in bureaucratische scherpslijperij die nauwelijks voor de gevestigde orde onderdeed. Het verafschuwde regentendom verdween niet, maar kreeg vleugels. De (ideologische) ‘stilte’ waarin men zich dacht te kunnen hullen kreeg bizarre trekken en de Koude Oorlog zou (veel) langer duren dan men lief was. Wat rest is nostalgie en epigonisme, maar de signs of the times laten zich niet verloochenen.

Zo vergaat het de vele old friends die meenden dat time was on their side en dat de muzen hen welgevallig zouden blijven. Life bleek echter short. In elk geval shorter dan Art waarmee men zich ‘forever young’ kon wanen. Maar ongelijk had men over het algemeen niet. Zeker niet wat de (uitvloeisels van de) human condition betreft. Die bleken net zo weerbarstig als de vele gebaande paden die brave burgers tot in lengte van dagen dachten te kunnen blijven bewandelen. Conformisme blijkt desondanks het geldende principe voor de meesten die niet zoveel met maatschappelijke verandering ophebben en die de bezongen tijd van weleer slechts in termen van hitlijstjes kunnen bezien. Dat is culturele armoede ten top en doet onrecht aan de menselijke spirit die juist zo kenmerkend was voor een hele generatie waarmee vele heilige huisjes werden bestormd. Daarvan is echter maar een zwakke schaduw overgebleven. Veelal in de vorm van een wat halfbakken meewarige terugblik op wat ooit was. Maar wat niet van binnenuit komt zal altijd second best blijven. Ondanks zich herhalende patronen blijken veel zaken toch ook éénmalig: you get one chance only. Zeker waar het verbetering van de human condition betreft. Die bereik je niet met nostalgisch sentiment of een beetje liefdadigheid te hooi en te gras. Dark and grey, these are the (inescapable) remains of our days. Yes, we all get fooled again.

                                                                 
                   
                                                              — De redactie wenst alle trouwe lezers een verlicht 2025 —



[4] (Paul) Simon & (Art) Garfunkel, April come she will, Sounds of Silence (Columbia Records,1966)

[5] In de Hindoeïstische mythologie is er sprake van een vergelijkbare drieëenheid: Brahma (creatie), Vishnu (instandhouding) en Shiva (transformatie)