‘Van vreemde smetten vrij’
Nu het rabiate nationalisme in tal van landen wederom breed de kop opsteekt kan men zich afvragen wat mensen eigenlijk bezielt en wat hen daarbij drijft. De gewaande eigen exclusiviteit van bevolkingsgroepen is echter een historische constante die de goedwillende medemens al eeuwenlang parten speelt. Te denken valt onder meer aan de christenvervolgingen in het Romeinse Rijk (voordat het christendom nota bene staatsgodsdienst werd); de langdurige Joden- en moslimvervolgingen tijdens de Spaanse Reconquista (nadat verschillende religieuze groeperingen in betrekkelijke vreedzame omstandigheden hadden samengeleefd) die uiteindelijk uitmondde in de diverse Kruistochten tegen de Islam; de talloze en langdurige godsdienstoorlogen en vervolgingen van onder meer protestanten door katholieke machthebbers zoals in de voormalige Nederlandse Gewesten, Frankrijk en Duitsland; de massale vervolging van Armeniërs en anderen; het aloude antisemitisme dat tot ongekende genocide leidde en culmineerde in de opkomst van het nazistisch fascisme; later gevolgd door vervolgingen van Arabische bevolkingsgroepen bij de totstandkoming van de staat Israël; alsook etnische zuiveringen tijdens het uiteenvallen van het voormalig Joegoslavië. Maar ook het separatisme van blank en zwart in Zuid-Afrika (‘apartheid’) en in de VS loog er niet om.
Keer op keer blijkt dat vervolgingen van groepen op allerlei manieren wordt ‘gefundeerd’. Niet alleen ‘historisch’ (veronderstelde ‘oude rechten’ en machtsusurpatie door het ‘oorspronkelijke eigen Volk’), maar ook ‘religieus’ (gewaande superioriteit van het aangehangen geloof), ‘antropologisch’ (hiërarchische ‘classificatie’ van volkeren en ‘rassen’), of – zoals nu rond immigratie van vluchtelingen het geval is – op basis van ‘demografische’ argumenten. Het willen ‘zuiveren’ van ongewenste bevolkingssamenstellingen is een zich voortdurend herhalend – en blijkbaar uiterst hardnekkig – fenomeen. De ‘Blut und Boden’-theorieën en praktijken blijken niet beperkt te blijven tot het nazisme. De gewaande exclusiviteit van het ‘eigen Volk’ steekt voortdurend in allerlei gedaanten de kop op. Racisme blijkt nagenoeg onuitroeibaar, evenals de neiging om bevolkingsgroepen op basis van hun afkomst, geloof, levenswijze, of huidskleur als tweederangsburgers te behandelen, te isoleren, uit te sluiten en te dehumaniseren.
Zijn het werkelijk de superioriteitsgevoelens die hier doorslaggevend zijn, of is het louter angst en xenofobie? De twee gerichtheden blijken samen te gaan en in elkaars verlengde te liggen. Maar de pot verwijt nogal eens de ketel. De hypocrisie die met dit alles gepaard gaat en waarmee men meent anderen de maat te kunnen nemen is ronduit stuitend en weerzinwekkend. Wie is werkelijk zuiver op de graat wat dit aangaat en op basis waarvan meent men zich superieur te kunnen opstellen? Het verleden van nogal wat samenlevingen is immers doordrenkt met dubieuze praktijken die het daglicht niet kunnen verdragen en nog altijd hun ondermijnende uitwerking op bestaanscondities van velen hebben. Dat geldt zeker niet alleen voor autoritaire regimes zoals theocratische dictaturen, maar ook voor ideologisch monomane staatsordeningen die zich lang niet altijd gerechtvaardigd als ‘democratisch’ en ‘rechtsstatelijk’ wensen te beschouwen. Het ‘God (van welke snit ook) zij met ons’ blijkt nogal eens een misleidend alsook gevaarlijk adagium om zich beter dan anderen voor te doen. Pathologische angst voor ‘infiltratie door ongewenste elementen’ kan leiden tot uiterst troebele opvattingen over ‘homeopathische verdunning’ [sic] waarbij het ‘eigene’ ‘onherstelbaar teloor’ zou gaan. Claustrofobische angsten (angst voor beklemmende insluiting) blijken wat dit betreft zowel reëel als illusoir te kunnen zijn. Een en ander afhankelijk van ingenomen ‘superieure’ posities waarvoor men aantasting vreest, dan wel ‘inferieure’ posities waartoe men al dan niet gedwongen wordt. Ware cosmopolitische geesten kenmerken zich evenwel door openheid, onbevangenheid, ruimdenkendheid en een vrij zijn van parti pris (vooringenomenheid). Maar het dwangmatige denken in onwrikbaar gewaande dichotomieën maakt zulk een geesteshouding vrijwel onmogelijk. Dat is veelal de huidige situatie waarin samenlevingen zich willens en wetens (of tegen beter weten in) hebben laten manoeuvreren, maar die slechts leidt tot eenzame opsluiting in het eigen gelijk of ‘Sonderwegen’ van uiteenlopende signatuur. Zoals eerder gezegd blijkt identiteitsbepaling zowel individueel als collectief een uiterst hachelijke zaak die omgeven is met tal van drogredenen, alsook waandenkbeelden en mythevorming die even hardnekkig als kortzichtig zijn. Men kan tegen Wilders en anderen te hoop lopen in de veronderstelling daarmee ‘het kwaad’ te bestrijden, maar de onderliggende gedachtenspinsels bant men niet uit door te weeklagen of de pijlen eenzijdig, dan wel willekeurig, uiterst selectief of onvolledig te richten. Daarvoor is meer nodig. Zoals een bereidheid om ingenomen posities onder ogen te zien en die van zichzelf niet bij voorbaat van alle kritiek te willen uitsluiten. Met name dit laatste blijkt momenteel te veel gevraagd, zodat de simplistische goed-foutschema’s bij zowel voor- als tegenstanders van culturele en maatschappelijke polarisatie tot ridicule hoogten worden opgestuwd. Het zal een zo gewenste vreedzame samenleving echter niet dichterbij brengen. Humanisme vergt méér dan dogmatiek (en verdraagt wellicht helemaal geen dogmatiek). Het onderscheid tussen Sein en Sollen betekent een niet-aflatende complexe opdracht. Ofwel een permanente imperatief.
